Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

blauwgroene dieper gelegen vlekken. Ook bloedingen uit de slijmvliezen komen voor. De lichaamstemperatuur is, ook als er geen compliceerende infecties bestaan, meestal iets verhoogd. Het hart is gedilateerd, de hartdofheid verbreed, en er zijn systolische geruischen aan hart en vaten hoorbaar.

Bij bloedonderzoek vindt men. alle teek enen van een zeer sterke regeneratie: veel normoblasten en megalóblasten zoodat deze 5 % of meer van alle kernhoudende cellen bedragen, polychromatophilie, basophile korreling, poikilocystose en anisocytose. Bovendien is het aantal leucocyten vermeerderd, waarbij meestal de getalverhouding tusschen de verschillende celsoorten normaal is gebleven. (Fig. 114).

Bij kinderen van deze leeftijd (1—2 jaar) vindt men ca 56 % lymphocyten, 20 % neutrophile, 2—4 % eosinophile, 0,5 % basophile en 3—5 % monocyten.

Indien er een belangrijke leucocytose aanwezig is (30.000 leucocyten of meer), hetgeen bijna altijd het gevolg is van eene infectie, die nog bestaat of kort te voren heeft ingewerkt, dan vindt men dikwijls relatief meer polynucleaire neutrophile leucocyten en ook altijd enkele myelocyten.

Het is zeer merkwaardig, dat men af en toe patiëntjes ziet, bij wie deze teekenen van zeer sterke regeneratie van bloed zeer sterk zijn, maar die slechts weinig anaemisch zijn. Men moet dan aannemen, dat de bloedsafbraak door de vermeerderde aanmaak vrijwel wordt genivelleerd.

Dit ziektebeeld werd vroeger beschreven onder den naam anaemia pseudoleucaemica infanium van Luzet—von Jacksch.

Van deze typische vorm met al de genoemde verschijnselen van sterke anaemie met leucocytose en myelaemie, met milt- en leververgrooting, huid- en slijmvliesbloedingen is de overgang geleidelijk naar anaemieën, waarbij een groep der verschijnselen of verschillende tegelijkertijd minder heftig zijn of zelfs ontbreken.

Men ziet nu eens anaemieën met milt- en leververgrooting, met normo- en megalóblasten, met huid- en slijmvliesbloedingen, waarbij de leucocytose ontbreekt of zelfs leucopenie bestaat; dan weer anaemieën, waarbij de bloedingen ontbreken, of ook waarbij de milt niet vergroot is en dan kan de leucocytose en kunnen de bloedingen toch weer wel gevonden worden. En als laagste in de rij kan men plaatsen de anaemieën zonder leucocytose, zonder bloedingen, zonder of ook met miltvergrooting, waarbij slechts normo- en megalóblasten in grooten getale met andere bloedafwijkingen de kracht der regeneratie aantoonen. Daaruit blijkt dus * dat er naar de vorige groep van lichte anaemieën geleidelijke

Sluiten