Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geen polychromatophilie, geen kernhoudende chromocyten. Ook de leucocyten voorzoover ze uit het beenmerg afkomstig zijn, zijn verminderd in aantal, zoodat ten slotte de lymphocyten in normaal aantal (procentisch dus veel te veel) geteld worden, en van de leucocyten s. str. nog slechts enkele worden gezien. Daarbij schijnen de eosinophile-cellen het eerst te verdwijnen. Zeer vroeg in de rij der verschijnselen treft men een thrombopenie aan; door dit bloedplaatjes-tekort verklaart men de bloedingen, die tot het constante beeld der ziekte behooren, en dikwijls al aan het optreden van een duidelijke anaemie waren voorafgegaan.

Indien men ook de bloedplaatjes als beenmerg-derivaten (afgestooten protoplasma van de megacaryocyten, Wright) beschouwt, dan is deze thrombopenie begrijpelijk bij deze ziekte. Duister in de geheele ziekte is slechts de aetiologie. Deze is geheel onbekend. Op grond van het voorkomen van vrij belangrijke temperatuursverhooging heeft men wel gemeend met een sepsis te doen te hebben. Als analoga kunnen genoemd worden de anaemie met thrombo- en leucopenie, die bij proefdieren optreedt na benzolintoxicatie of na te krachtige Röntgenbestraling van het beenmerg.

DIAGNOSE.

Men herkent een bleekheid als anaemie door bepalen van liet haemoglobinegehalte. Om de bizondere aard van een anaemie te kunnen vaststellen is het noodzakelijk bovendien het aantal der chromocyten, der leucocyten, der bloedplaatjes te bepalen, en om mikroskopisch een gekleurd praeparaat te onderzoeken.

Voor de differentieel diagnose van de anaemia plastica gravis met sommige vormen van leukaemie, en van de aplastische anaemie met de aleukaemische lymphadenie worde naar deze hoofdstukken verwezen.

De herkenning der andere anaemieën levert geen moeielijkheden op, als men alle gegevens tracht te verzamelen, die voor de beoordeeling van belang zijn en dus in elk geval vraagt en zoekt naar vroeggeboorte, tweelingen, naar de voeding, naar infectieziekten, naar bloedverlies, en zich goed rekenschap geeft van de beteekenis van elk verschijnsel op zichzelf, zooals dit in het voorgaande getracht is te doen.

PROGNOSE.

Met uitzondering alleen van de zeldzame pernicieuze anaemie en de aplastische anaemie, die een absoluut infauste prognose hebben, al kan men bij de eerste op soms vrij langdurende remissies rekenen, is de prognose van alle anaemieën bij kinderen zeer

Sluiten