Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lusteloos is. Overigens weet de omgeving meestal niet veel van het kind te vertellen, tenzij in de zeldzame gevallen, dat de lymphklieren vrij sterk zijn vergroot. Soms had het kind over pijn in de milt geklaagd.

Bij onderzoek van het patiëntje vindt men dan als belangrijkste afwijking de sterk vergroote milt, die hard aanvoelt en waarvan de incisuren duidelijk zijn te palpeeren. Door deze groote milt, die tot over de mediaanlijn en tot in het kleine bekken kan reiken, is de geheele buik sterk opgezet. Aan deze opzetting van de buik draagt de vergrooting van de lever het zijne bij. Ook de lever voelt hard aan. In het laatste stadium van de ziekte kan door een ascites de buik nog sterker uitzetten. Het diaphragma staat tengevolge van de volumevermeerdering van de buikinhoud hoog, waardoor de hartdofheidsfiguur iets breeder wordt en de puntstoot naar buiten verplaatst wordt. Soms. worden deze laatste veranderingen nog duidelijker door eene dilatatio cordis, die op het eind van de ziekte dikwijls voorkomt. Dan is meestal ook een functioneel, blazend systolisch geruisch hoorbaar.

Hoewel bij deze vorm zelden sterke lymphklierzweWmgen voorkomen is het toch een opvallend verschijnsel, dat ze in geringe mate vrijwel altijd aanwezig zijn. Ook de thymus kan vergroot zijn. Door kleine leukaemische haardjes in de retina kan een retinitis leukaemica ontstaan. Er is duidelijke drukpijnlijkheid van sternum en lange pijpbeenderen. Ook in de huid komen leukaemische haardjes voor.

Tot de minder regelmatig voorkomende verschijnselen behooren nog de teekenen van een maagdarmkatarrh en een anaemie van beteekenis. Met uitzondering van het eindstadium van de ziekte zijn noch een intensieve anaemie noch een purpura tot de gewone verschijnselen van deze leukaemie te rekenen. Bloedingen in huid en slijmvliezen zijn overigens in het latere verloop van de ziekte zeer frequent: men ziet behalve huidbloedingen dikwijls neus-, maagdarm-, hersen-, meningeaal- en andere bloedingen.

De temperatuur der kinderen is dikwijls verhoogd.

Het bloed bij deze chronische vorm van de myeloïde leukaemie heeft in typische gevallen de volgende veranderingen.

Meestal valt het allereerst op het groote aantal der leucocyten, waardoor het bloed reeds macroscopisch witachtig van kleur ziet. Maar, zooals reeds gezegd is, is dit niet het allerbelangrijkste. Veel grooter waarde heeft, dat men in de verhouding der leucocyten onderling deze verschuiving vindt, dat het aantal der lymphocyten procentisch gedaald is, doordat het absolute getal ongeveer hetzelfde is gebleven; dat der eosinophile en basopliile leucocyten

Sluiten