Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is daarbij, relatief en absoluut, vermeerderd, terwijl het aantal der neutrophile polynucleaire cellen relatief verminderd pleegt te zijn, al is dan ook de absolute vermeerdering soms kolossaal groot. Deze procentische vermindering is gedeeltelijk het gevolg van de vermeerdering der eosinophile en basopliile cellen, voor een ander deel van de aanwezigheid van een groot aantal mononucleaire cellen, die de voorstadia zijn dezer polynucleaire neutrophilen zelf of van de andere echte leucocyten l). Men ziet zeer groote aantallen myelocyten met neutrophile, eosinophile en basophile korrels, maar ook nog jongere celvormen, waarin deze korrels nog niet voorkomen, de myeloblasten. In vele leucocyten vindt men karyokinetische figuren.

Terwijl het aantal der bloedplaatjes vermeerderd is, zijn er bijna altijd ook veranderingen in de chromocyten te vinden; men vindt kernhoudende chromocyten en er is polychromaetophilie, anisocytose en poikilosytose waar te nemen. Dikwijls is het aantal der chromocyten verminderd, op het eind van de ziekte is er soms zelfs een belangrijke anaemie.

De oorzaak van de leukaemie is even onbekend als die der maligne tumoren. Het beste inzicht in de ziekte verkrijgt men door deze als een maligne tumor van het myeloïde weefsel te beschouwen. Ik wil hier op de- argumenten voor deze opvatting nietingaan en verwijs daartoe naar het leerboek van Hutinel, T II p. 403.

PATHOLOGISCHE ANATOMIE.

Bij de leukaemie vindt men het beenmerg overal in actieve toestand. Mikroskopisch ziet men alle cellen aan de woekering deelnemen: maar vooral de myelocyten en hun voorstadia, en minder de megacaryocyten en de kernhoudende chromocyten. De milt is kolossaal groot, op het oppervlak ziet men adhaesies door perisplenitis en mikroskopisch vindt men in een verdikt en gescleroseerd bindweefsel stroma alles opgevuld door myelocyten en enkele kernhoudende chromocyten. Ook de megacaryocyten prolifereeren. Maar bovendien vindt men tumorachtige ronde haarden van dit myeloïde weefsel. Deze haarden kan men ook in lever, nier, thyreoidea, long, darm terugvinden; ze zijn voor de leukaemie typisch. De meeste beteekenis hebben de myeloïde haarden in organen, die nooit een myeloïde functie hebben bezeten.

In de lymphklieren en andere lymphoïde organen (tonsillen, darmfollikels) vindt men het oorspronkelijke weefsel grootendeels

') De korrels der eosinophile myelocyten zijn bij de jonge exemplaren nog blauw gekleurd.

Sluiten