Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voorstadium zijn, waaruit zich zoowel lymphocyten als myelocyten zouden kunnen ontwikkelen. Met deze opvatting is in overeenstemming, dat zoowel de milt als de Iymphklieren vrij sterk vergroot kunnen zijn, en dat er zeer duidelijke teekenen plegen te worden gevonden van een myeloïde hyperplasie. Als zoodanig moeten worden opgevat de aanwezigheid van vrij veel myelocyten, en van kernhoudende chromocyten. Ook de steeds aanwezige zeer sterke anaemie is beter verklaarbaar, als men zich voorstelt, dat de ziekte vooral het beenmerg aantast (fig. 115—117).

Men vindt dus zeer sterke anaemie met sterke vermindering der chromocyten, en optreden van kernhoudende chromocyten en een meestal matige vermeerdering der leucocyten (50—100.000), waarvan verreweg de meerderheid tot de bovengenoemde agranulocyten behooren.

Ook bij deze leukaemie komen trouwens gevallen voor, waarbij de vermeerdering van het totale aantal witte bloedlichaampjes ontbreekt of zelfs leucopenie bestaat. Dan heeft men dus slechts houvast aan de vondst der typische cellen.

Deze acute leukaemie verloopt overigens geheel anders dan een chronische. Meestal begint de ziekte met een angina, die of een pseudomenbraneuze of ulcereuze vorm aanneemt, soms ook met tandvleeschbloedingen. Daarbij sluiten zich dan de purpura, de hooge koorts en de progressieve anaemie aan, die een enkele maal het begin van de ziekte vormen.

Deze purpura, waarbij bloedingen in huid en uit slijmvliezen voorkomen, blijft gedurende de verdere ziekte steeds voortbestaan. Men ziet huidbloedingen als petechiën of grootere onderhuidsche bloedingen, epistaxis en tandvleeschbloedingen, soms ook retinabloedingen. Zij verergeren de anaemie, die vrij snel intensief is.

Daarbij treedt dan op een zwelling van alle lymphoïde organen; tonsillen, Iymphklieren en milt worden, zie fig. 118, vroeger of later, groot, maar zeer groote lymphklierzwellingen ontbreken evenals een belangrijke miltzwelling.

De urine bevat vaak albumen. Op het eind van de ziekte treden cachectische oedemen op.

Het schijnt, dat deze vorm van leukaemie speciaal bij kinderen optreedt, en niet zoo zeldzaam is als de vorige. De duur van de ziekte is 4—6 weken.

PATHOLOGISCHE ANATOMIE.

In de vergroote lymphoïde organen vindt -men mikroskopisch alles opgevuld door de typische groote cellen. Het schijnt (Rivet) dat deze cellen in den beginne langs de sinus aan de rand van

Sluiten