Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dit antitrombosine treedt in zeer groote hoeveelheid op na peptoninspuiting en evenzoo na inspuiting van elke stof, die als antigeen werkt. Wordt pepton snel intraveneus ingespoten, dan maakt dit dus het bloed incoagulabel. Langzame injectie subcutaan heeft het omgekeerde effect. Dit antithrombosine verdwijnt, zoodra de stolling begint.

Herkomst. Het schijnt, dat fibrinogeenen thrombogeen gevormd worden door de lever, ook het antitrombosine wordt door de lever afgescheiden.

Thrombozym is afkomstig van de leucocyten, bloedplaatjes en endotheliën der bloedvaten.

Het schijnt dat de bloedplaatjes — behalve thrombozym en thromboplastische stoffen — ook nog de samentrekking van het stolsel bewerken, want een stolsel zonder bloedplaatjes retraheert zich slecht. Het omgekeerde is evenwel niet waar. Bovendien wordt door de lever nog een stof afgescheiden antithrombolysine, die de autolytische oplossing van het stolsel tegengaat.

Normale stolling van bloed in een wond begint door contact met de weefselcellen, die even als inert poeder thromboplastisch werken. Zoodra deze begonnen is, verdwijnt alle antithrombosine, en worden in de peripherie van de wond uit de endothelia van de bloedvaten het thrombozym en de thromboplastische stoffen vrij, die de stolling krachtig bevorderen, het eerst in de onmiddelijke omgeving der cellen. Daarbij wordt thrombine (thrombogeen + thrombozym), gevormd, dat weer stolling bevorderend werkt. Bij de vernietiging van endotheliën en weefselcellen hecht het fibrine zich aan deze cellen vast.

In het centrum van het stolsel werken als leveranciers van thrombozym en thromboplastische stoffen vooral de bloedplaatjes (ook leucocyten) mee, die bovendien de retractie van het eenmaal gevormde fibrine bewerken. Zoowel voor de endotheliën als voor de bloedplaatjes neemt Nolf aan, dat zij hun thrombozym en thromboplastische stoffen loslaten, doordat zij door het fibrinenet ingesloten en heftig geprikkeld worden. Er is dus een wisselwerking: door de vernietiging van cellen: sterke bevordering der stolling en door deze stolling: vernietiging van cellen.

Uit deze uiteenzettingen kan men zeer veel inzicht verkrijgen in de wijze waarop bij een ziekte bloedingen optreden. Men moet voor alle ziekten, waarbij de bloedingen geheel spontaan optreden — als men met het begrip physiologisch trauma niet tevreden is — aannemen, dat er ook vaatlaesies ontstaan, omdat anders het eerste begin van een bloeding niet is te verklaren.

Het onderzoek naar de verschillende afwijkingen bij de purpura

Sluiten