Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

RACHITIS.

Geen kinderziekte, die op een bepaalde leeftijd zooveel kinderen treft als de rachitis. Vulnerabel als het beenstelsel is op den leeftijd, die van 6 maanden tot 2 jaar reikt, is het betrokken bij alle schadelijke invloeden, die het kind treffen, en hoe weinig kinderen hebben niet de een of andere storing of ziekte in dit tijdperk van hun leven door te maken. "Wel trekt het onmiddellijk onze aandacht, hoe onberekenbaar de gevolgen zijn voor het beenstelsel van elk kind van een ziekte of storing in zijn eerste levensjaar, en hoe geheel anders de reactie is van het eene kind als van het andere. Ter verklaring van dit verschillend gedrag, dringt zich onmiddellijk aan ons op de familiaire voorbeschiktheid in sommige, de immuniteit voor rachitis in andere gezinnen. Slechts zelden is deze praedispositie zoo groot, dat zij opzichzelf welhaast voldoende is om de kinderen rachitis te bezorgen, zoodat zelfs de aan de borst gevoede kinderen, die niet ziek zijn geweest, hun rachitis doormaken. Meestal werkt zij ondersteunend mee en schept zij de neiging tot het optreden van rachitis door allerlei oorzaken. Lang niet zelden is bij deze voorbescbiktheid deze merkwaardigheid op te merken, dat bepaalde gedeelten van het skelet bij voorkeur rachitische veranderingen ondergaan, zoodat in één familie alle kinderen schedelrachitis, in een andere alle extremiteiten rachitis krijgen.

SYMPTOMEN.

De belangrijkste verschijnselen van de rachitis zijn die, welke van de ziekte van het beenstelsel afhankelijk zijn. Deze zijn het, die de oorzaak zijn van blijvende misvormingen, en die ook de verklaring geven van de verschijnselen, die de moeders bewegen het kind aan een dokter te toonen, en die hem in staat stellen de diagnose te stellen.

Zeer moeilijk te beantwoorden is de vraag, welke verschijnselen van gestoorde functie van andere organen rechtstreeks op de rachitis berusten, een vraag, die dan ook op zeer verschillende wijze beantwoord pleegt te worden.

In het begin van de rachitis — welk begin soms al lang vóór de 6e maand valt, maar toch meestal tusschen 6 en 12 maanden — trekt meestal het eerst de aandacht, dat het kind bij andere kinderen van gelijken leeftijd ten achter is in spierkracht. Het gaat later zitten, richt zich niet zoo spoedig op, zal minder gauw leeren staan. In den regel is dit verschijnsel der spierslapte niet afhankelijk van pijnlijkheid bij pogingen tot bewegen, want

Sluiten