Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deze pijnlijkheid ontbreekt in het begin van de rachitis en treedt, zoo ooit, pas op als er sterke afwijkingen van het beenstelsel bestaan.

Het spreekt vanzelf, dat er ook bij verschillende kinderen, die geen rachitis hebben, vrij groote individueele verschillen bestaan in het tijdstip, waarop de functies van het zich oprichten, gaan zitten, gaan staan en derg. verkregen worden; vooral psychische verschillen hebben grooten invloed, en in het algemeen is een mager kind vlugger in dit opzicht. Maar als een der vroegste teekenen van rachitis behoudt toch dit verschijnsel der spierzwakte, groote beteekenis.

Ook op het gedrag en het uiterlijk van een rachiticus is wat aan te merken. Het kind is niet meer een toonbeeld van gezondheid, het is wat huilerig, en prikkelbaar en het ziet er wat bleek en betrokken uit. Daarvoor is niet altijd een goede reden te vinden en de bleekheid berust vaak niet op een anaemie. Soms zijn ook vasomotore of secretoire symptomen te vinden en van oudsher geldt sterk transpireeren als een verschijnsel van rachitis. In lichte gevallen ontbreekt het evenwel.

De öeercafwijkingen van de rachitis zijn in den beginne zoo weinig opvallend, dat ze door de ouders niet worden opgemerkt. Het is daarom noodzakelijk, dat elke huisarts de hem toevertrouwde zuigelingen althans op de leeftijd van 1 jaar op dit punt onderzoekt, tenzij er reeds eerder reden is om het ontstaan van een rachitis te verwachten (doorstane ziekten, familiaire praedispositie).

In het algemeen zijn de beenafwijkingen klinisch gekenmerkt door zwelling van de grens tusschen epiphyse en diaphyse der beenderen, der ossificatiepunten, of van de grens tusschen been en kraakbeen (rib) door vertraagde groei, door verwerking van de beenderen en door vervorming onder invloed van verschillende krachten, die op het weeke been inwerken.

Men heeft de voorbeelden van deze vier afwijkingen bij de rachitis voor het grijpen.

Aan de schedel is het achterblijven in groei merkbaar, doordat de fontanel niet bijtijds gesloten wordt. Gewoonlijk is deze omstreeks den leeftijd van 15 maanden vrijwel gesloten. Bij rachitis staat ze wijd open, en het schijnt wel alsof de fontanel zelfs grooter wordt in plaats van kleiner. De zwelling der ossificatiecentra heeft ten gevolge, dat de tubera parietalia en frontalia uitpuilen, terwijl de verweeking kan blijken door het optreden van het verschijnsel van de craniotabes en door een vormverandering van de schedel. Beide afwijkingen hangen met elkaar

Sluiten