Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1. PATHOLOGISCHE PHYSIOLOGIE EN ALGEMEENE AETIOLOG1E.

MOTILETEITSSTORINGEN.

PARALYSEN.

Een motorische paralyse of verlamming is het verlies .of de vermindering van het vermogen de spieren te bewegen.

De motorische verlamming kan beperkt zijn tot één helft van het lichaam: hemiplegie, of tot een lichaamsdeel of spiergroep: monoplegie, of tot de beide onderste ledematen of de vier extremiteiten : paraplegie.

HEMIPLEGIE.

OORZAKEN EN SYMPTOMEN.

De groote meerderheid der hemiplegieën bij kinderen vertoont het type van een pyramidenbaanlaesie. Ze onderscheiden zich, wanneer ze congenitaal of op zeer jeugdigen leeftijd ontstaan zijn, van de hemiplegieën bij volwassenen, doordat er steeds een ontwikkelingsstoring van de verlamde lichaamshelft bij komt. Overigens is de hemiplegie, zooals deze door een laesie van de pyramidebaan ontstaat, gekenmerkt door de localisatie der verlammingen en der contracturen en door verhooging van peesreflexen bij verlaagde huidreflexen.

De bovenarm, die korter en dunner is dan de gezonde arm, wordt tegen den romp aangedrukt gehouden, of steekt schuin naar buiten uit, terwijl de onderarm in sterke pronatie en meestal in de elleboog gebogen is. Ook de hand is op den onderarm gebogen, soms zelfs in een rechte hoek. De handpalm is hol, doordat de binnen- en buitenrand naar boven komen, en wordt ulnairwaarts gebogen. De vingers zijn over de naar binnen geslagen duim geflecteerd. Het been is in de knie gebogen, de voet staat in equinusstand door plantair-flexie, en wijkt öf naar den varusóf naar den valgusstand af. De teenen zijn plantair gebogen maar de groote teen staat in dorsaalflexie (zie fig. 146a).

Meestal worden de extremiteiten in deze positie door contrac-

Sluiten