Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

banen van cerebellum en ruggemerg kunnen de reflexen verhoogd zijn. Deze verhooging is aan dezelfde kant als de laesie te verwachten.

Bij de verhooging der reflexen kan men in den regel merken, dat het gelukt om de reflex op te wekken vanuit een grooter gebied dan gewoonlijk, dat een geringere periphere prikkel voldoende is om de reflex te voorschijn te roepen, dat de spiercontractie, die dientengevolge optreedt, krachtiger is. Zeer vaak kan men daarenboven opmerken, dat de reflex zichzelf onderhoudt. Na bekloppen van de pees van de quadriceps ziet men het been een aantal bewegingen achter elkaar uitvoeren (trépidation). Duidelijker is nog de voetclonus of dyclonus, die bij deze verhooging der reflexen zijn op te wekken en waarbij reeds de rekking van de pees, die het gevolg is van de contractie van de M. quadriceps of kuitspieren een aantal keeren achtereen voldoende is om de reflex weer op te wekken.

De voornaamste pees- en periostreflexen die worden onderzocht zijn aan de onderste extremiteit: de patellairreflex, die beantwoordt aan het centrum Lil, III en IV, de Achillespeesreflex uit L V, SI en SII en aan de bovenste extremiteit de bicepsreflex uit C IV, C V en CVI, de tricepsreflex uit CVI, C VII en C VIII.

Mindere beteekenis komt toe en na onderzoek van de genoemde reflexen is weini0- inzicht te verwachten van de periostreflexen als aan de onderste extremiteit°: de reflex der adducloren (bekloppen van de tuberositas interna tibiae ceeft contractie der adductoren: L II—L IV), de periostreflex der buigers: biceps en semi-spieren (bekloppen van het capitulum fibulae geeft contractie dezer spieren: L IV, L V, SI) en aan de bovenste extremiteit: periostreflex van de radius (bekloppen van het ondereinde van de radius geeft buigen van de onderarm: C V en C VI), periostreflex van de ulna (bekloppen van de proc. styloïdeus ulnae geeft pronatie van hand en arm : C VI—D I), reflex van de scapula (bekloppen van de 'binnenrand van de scapulae geeft adductie van de arm: C VII, C VIII en D I), reflex der buigers (bekloppen van hun pezen aan de pols geeft buigen der vingers C VIII, D I).

Aan de hals kan nog worden onderzocht de reflex van de sterno-cleido-mastoïdeus (bekloppen van de onderste inserties van de spier geeft contractie: C III en CIV), terwijl voor het onderzoek der hersenzenuwen te gebruiken zijn:

de niasseterreflex (plotseling naar beneden bewegen van de kin geeft reflectoir sluiten van de mond: centrum van den trigeminus, V, en

de frontalisreflex (bekloppen van de aponeurose van de M. frontalis geeft contractie van deze spier: centrum van de N. facialis, VII).

. Soms treden de spiercontracties bij deze reflexen in verkeerde spiergroepen op, hetgeen slechts schijnt voor te komen, als het centrum van de spier, die gewoonlijk reflectorisch reageert, is

Sluiten