Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

diepe sensibiliteiten gerekend worden. Bij alle onderzoek van de sensibiliteit moet het kind geblinddoekt zijn.

Men onderzoekt op storingen van de tastzin door de huid met een penseel aan te raken en te vragen, dat het kind bij elke aanraking „ja" zegt. Bovendien kan worden nagegaan met een passer, op welke afstand de 2 punten als 2 worden herkend. Voorts zal men nagaan, of het kind nauwkeurig weet, welke plaats wordt aangeraakt, door deze plek met de vinger te laten aanwijzen.

Storingen van de pijnzin worden opgespoord door middel van prikken met een speld. Hiervan dient te worden nagegaan, welke plaats ongevoelig is voor

de pijn. . . .

Om de temperaluurszin na te gaan maakt men gebruik van buisjes met lauw-warm en met koud water. Men dient te vermijden dat het water zóó koud of zóó warm is, dat de aanraking pijn kan doen. Meestal zijn pijn- en temperatuurszin tegelijk gestoord.

De beweginyszin (kinaesthesie) wordt onderzocht door aan een extremiteit een bepaalde stand te geven en dan te vragen, welke deze is, of door het kind uit te noodigen aan dezelfde extremiteit van de andere kant een zelfde stand te geven. Meestal is deze storing het duidelijkst aan de peripherie der ledematen, vooral de vingers. Tengevolge van deze storing treedt eenige ataxie op.

De drukzin moet worden onderzocht met gewichten van eenzelfde oppervlak, die van onderen bedekt zijn met een isoleerende laag om temperatuursindrukken uit te schakelen. Het komt slechts bij cerebellair aandoeningen voor, dat deze drukzin op zichzelf gestoord is, meestal volgt ze de andere diepe sensibiliteiten.

De sensibiliteit van het been (periost) wordt nagegaan met een krachtige stemvork op plaatsen, waar het been onder de huid ligt (clavicula, olecranon, vingergewrichten, tibia, crista ilei enz.). Om de geleiding van het geluid door het been uit te schakelen kan men een stemvork met 60 trillingen per sec. gebruiken. Meestal volgt deze storing van de sensibiliteit die van de andere diepe sensibiliteiten. Ze bestaat bij alle totale anaesthesieën.

Wanneer er een storing is van cliepe en oppervlakkige sensibiliteit, verliest een patiënt het vermogen om de vorm der voorwerpen te herkennen, gaat de stereognostische waarneming verloren. Daartoe is evenwel noodig, dat dit vermogen aanwezig is geweest. Jonge kinderen kunnen slecht de vorm der voorwerpen, die men hun in de gesloten hand legt, herkennen. Ook is deze astereognosie nog aanwezig bij de hemiplegia spastica inf'antilis, omdat de hand tot het aanvatten van verschilende voorwerpen bijna nooit is gebruikt. Astereognosie bestaat bij de periphere neuritides, de ziekte van Friedreich en andere ruggemergaandoeningen, die sensibiliteitsstoring geven, evenals bij de cerebrale hemianaesthesieën.

ANATOMISCHE LOCALISATIE.

Het verloop van de sensible baan door periphere zenuwen, ruggemerg en hersenstam naar de hersenschors is vrij ingewikkeld. Het duidelijkst wordt de beschrijving, als men de geleidingsbanen voor de afzonderlijke sensibiliteiten beschrijft, al neemt men dan

Sluiten