Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORWOORD.

Het tweede deel van het boek is anders geworden en heeft grooter omvang verkregen, dan oorspronkelijk was bedoeld.

Dit wordt verklaard door de omstandigheid, dat in Utrecht, waar het werd uitgewerkt, een aantal zelfstandige onderzoekers als Magnus, de Kleijn, Quix de labjTrinthreflexen bestudeeren. Zij hebben hun invloed op dit boek doen gelden, vooral de nadere kennismaking met de experimenten uit de school van Magnus. De bevruchtende werking, die zij hebben uitgeoefend op het verstaan van de functie der onderdeelen van het labyrinth en van haar samenwerking met andere proprio-receptieve en extero-receptieve functies dwongen mij tot omwerking van het zenuwstelsel van den N. octavus.

Er moet gebroken worden met de gangbare meening dat de N. octavus uit twee zenuwen bestaat, een, de N. cochlearis voor het hooren en een andere, de N. vestibularis, voor de regeling van het statisch evenwicht.

Het is noodzakelijk geworden in den N. octavus evenveel zenuwen te onderscheiden, als er onderdeelen in het labyrinth zijn. Een zenuw, die uit de cochlea ontspringt, een andere, die uit de macula sacculi komt, een derde, die van de macula utriculi uitgaat, enz., enz., moeten streng uiteengehouden, zoolang aan elk dezer eindorganen specifieke reflexen zijn gebonden.

Het vraagstuk of zulke specifieke reflexen beantwoorden aan bepaalde baan- en kernstelsels is er nu eenmaal en eischt oplossing.

Niemand is er meer dan ik van overtuigd, dat de tijd voor een volledige oplossing ervan nog niet is gekomen.

De poging hier gedaan tot gedeeltelijke beantwoording, dwong er mij echter toe, niet alleen het eindorgaan en de zenuwen, die er uit ontspringen, te behandelen, maar ook andere voorstellingen te geven over de primaire kernen en hun secundaire stelsels.

De omvang, die dientengevolge het octavusstelsel verkreeg, heeft mij genoopt, het tweede deel hiermee aftesluiten, te meer omdat er in de samenvoeging der octavus-impulsen met die der andere zintuigsimpulsen de samenhang met het eerste deel tot stand is gekomen, die hen samen tot een éénheid stempelt.

Evenwel is daardoor tevens een groot stuk van datgene, wat voor het tweede deel bestemd was achterwege gebleven en zal eerst in een derde deel een plaats kunnen vinden.

Dr. C. WINKLER.

Utrecht, Juni 1920.

Sluiten