Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

richten zich naar de dorsale afdeeling van den kop der mesencephale kern. Ook zij zijn, ten deele tenminste, centrifugale vezels.

Desniettemin kan worden vastgesteld, dat in het algemeen gesproken, de vezels dezer straling dunner zijn dan die, welke uit de ventrale afdeeling komen (zie fig. 190 rad. a, a1 en b). Brengt men dit in verband met de op worteldoorsnijding volgende verdwijning van een groot aantal der kleine cellen in den nucleus mesencephalicus, die mediaal van de groote cellen geplaatst zijn, dan zou men ook centripetale autonome vezels moeten vermoeden, onder die welke naar de radix sensibilis N. V uitstralen.

De binnentredende wortels van den N. trigeminus gedragen zich dan, als waren zij een laterale en een dorsale spinale wortel. Mediaal liggen de cerebro-spinale centrifugale vezels, lateraal ervan volgen de centrifugale autonome vezels, nog meer lateraal de intero-receptieve vezels en dan de extero-receptieve, met dien verstande, dat voor laatstgenoemden de herkomst uit de segmenten, welke die vezels afgeven, mede plaatsbepalend werkt.

Ons rest nu nog het bundeltje gedegenereerde vezels, dat na worteldoorsnijding naar de kleine hersenen afwijkt. Bezit dan de N. trigeminus een eigen kern in de kleine hersenen, waarheen wortel vezels gaan? Ik heb daarvan niet de overtuiging gekregen.

Het kleine bundeltje, dat van den wortel naar het cerebellum schijnt af te wijken, komt wel is waar meestal als een degeneratiestriem na worteldoorsnijding voor, maar is niet geheel constant, wat de grootte aangaat en in sommige series ontbreekt het.

Toch meende ik wel te doen er over te spreken, omdat nog altijd een groot aantal schrijvers van meening zijn, dat wortelvezels van den N. trigeminus direct in het cerebellum gaan, zonder dat zij daarom de kern precies aanwijzen, waar de eerste onderbreking dezer vezels plaats vindt. Zoolang dit niet op even nauwkeurige wijze is geschied, als voor de ander wortelstralingen van den N. trigeminus, meen ik de aanwezigheid van een directen worteloorsprong dezer zenuw uit de kleine hersenen niet bewezen en acht ik het bestaan ervan aan twijfel onderhevig.

Het oorsprongsschema voor den X. trigeminus van het konijn is dus ongeveer, zooals het in fig. 1(J6 is afgebeeld. Er is daarvoor, na het hier uitvoerig neergeschrevene, geen verdere toelichting noodig.

Wel hebben wij thans de vraag te behandelen of datgene, wat wij zooeven hebben beschreven als geldig voor de oorsprongskernen van den X. trigeminus bij het konijn, bij den mensch op dezelfde wijze plaats vindt.

Het komt mij voor, dat de groote verschillen, die er ongetwijfeld bestaan tusschen het zenuwstelsel van den N. trigeminus bij den mensch en bij de hoogere vertebraten, niet moet worden gezocht in het bereik van zijn oorsprong of van zijne primaire kernen. Ook het konijn is een dier met bizondere krachtige ontwikkeling van het perifere trigeminusgebied,

Sluiten