Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

le. De nucleus sensibilis a. Deze kern bereikt haar grootsten omvang aan het proximale einde der spinale trigeminusstreng en is onmiddellijk kenbaar aan de tusschen fijne vezelnetten ingebedde vezelveldjes.

2°. De nucleus sensibilis b, gekenmerkt door den grooten rijkdom van overlangs getroffen fibrae concomitantes tracti spinalis. Die kern volgt den tractus spinalis over zijn geheele lengte en bereikt tusschen den er langs strijkenden wortel van den N. facialis en het tuberculum acusticum haar grootste breedte.

3e. De nucleus gelatinosus, die alleen in het distale gedeelte van den tractus spinalis te vinden is, en in het stratum gelatinosum der formatio Rolando overgaat.

Van deze kernen ontbreekt de nucleus sensibilis a in het distale gedeelte van den tractus spinalis. Daarentegen wordt de nucleus gelatinosus het sterkst in de meest distale afdeeling en ontbreekt in het proximale deel. Tusschen beiden in bezit de nucleus sensibilis b zijn grootsten omvang, maar deze kern ontbreekt nergens geheel.

Nog duidelijker komen de verschillen in den bouw der kernen van den tractus spinalis voor den dag, als men haar in een serie dwarse sneden bestudeert en vooral als men dit doet bij menschelijk foetaal materiaal. Dan heeft men het voordeel van het bekende feit, dat de onderscheiden vezelstelsels in de trigeminusstreng niet gelijktijdig bun mergomhulling verkrijgen.

Om dit toe te lichten zijn van fig. 208 — fig. 212 een vijftal doorsneden geteekend van den tractus spinalis bij oen menschelijk foetus van 45 c.M. lengte.

De eerste snede (fig. 20S) treft de medulla oblongata vlak boven de kruising der pyramiden.

De vezellaag van den tractus spinalis is te dezer hoogte nog zeer arm aan myeline-houdende vezels. Het ligt voor de hand om haar te vergelijken met de zone van Lissauer, waarin de vezels eerst tegen liet einde deifoetale periode hun merg ontvangen.

Dientengevolge steekt aan de dorsale zijde de myeline-arme vezellaag van den tractus spinalis scherp af tegen de acliterstreng en wel in het bizonder tegen den tongvormigen uitlooper, welke die streng tusschen nucleus cuneatus en trigeminusstreng uitzendt en waarin de lange ascendeerende wortelvezels der hooge cervicale wortels (zie fig. 149) zijn gelegen. Die vezels zijn bij liet foetus van 45 c.M. reeds intensief gemyeliniseerd.

Aan de ventrale zijde is de tegenstelling tusschen de nauwelijks merghoudende vezellaag van den tractus spinalis V en de gemyeliniseerde dorsale spino-cerebellaire baan ook scherp, al is de mergscheede-ontwikkeling in dit stelsel niet zoo ver voortgeschreden als in de acliterstreng.

Sluiten