Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aan de trigeminusstreng kan men onderscheiden:

a. De vezellaag, waarin slechts enkele vezels merg verkregen hebben.

b. Het stratum spongiosum dorsale (laterale), waar de myelinisatie wellicht iets verder is gevorderd, dan aan de periferie.

c. De nucleus gelatinosus tracti spinalis.

Fig. 208.

Doorsnede dooi- de rnedulla oblongata bij een mensehelijk foetus van 45 cM., door bet distale gedeelte der achterstrengkernen en door den tractus spinalis N. trigemini.

fibr.arc.int. - librae arcuatae internae. — /ibr. asceitd. rad. cervic.—

fibrae ascendentes radicum cervicalium funiculi dorsalis. fibr conc.

tr.sp. — fibrae concomitantes tracti spinalis N. trigeraim. fibr.tr.

np.N. V. = fibrae tracti spinalis N. trigemini. fun.clors. - funiculus dorsalis medullae spinalis. >i. Burdach. = nucleus Burdach.

n. Mon. = nucleus Monakow. nucl. sens. (&). = nucleus sensibilis b tracti spinalis N. trigemini. nucl gelalin. = nucleus gelatinosus tracti spinalis N. trigemini. = tr. sp. eer. dors. — tractus spinocerebellaris dorsalis. tr.sp.N. T. = tractus spinalis N. trigemini.

d. Het stratum spongiosum ventrale (mediale). Dit stratum is verder gevorderd in de myelinisatie. Het is krachtig, vormt een eigen kern mediaal van den nucleus gelatinosus, waarin dadelijk het groot aan-

Sluiten