Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bezit, van fibrae eonc-omitantes is gekenmerkt, uit den nucleus sensibilis h.

Zoodra het centrale kanaal zich tot ventrikel verwijdt, de kernen der hersenzenuwen zich langs den bodem van den ventrikel rangschikken en den nucleus cuneatus ter zijde dringen, verandert het beeld, dat de doorsnede van den tractus te zien geeft (fig. 209).

In de vezellaag van den tractus vermeerdert in sterke mate het aantal der vezels, wier myelinisatie veel verder is gevorderd. Zij dringen de myeline-arme vezels naar den ventro-lateralen hoek en plaatsen zich tusschen deze en de gelatineuse kern in, ofschoon er tusschen de sterk gemyeliniseerde in nog altijd veel vezels met weinig merg gevonden worden.

De dorsale tractus spino-cerebellaris heeft te dezer hoogte de trigeminusstreng bedekt. De acliterstrengrest wordt kleiner, de uitlooper tusschen trigeminusstreng en de kern van Burdach is verdwenen. Derhalve rust de nucleus cuneatus op den tractus spinalis. De door die kern uitgezonden fibrae arcuatae internae gaan rakelings aan de kern der trigeminusstreng voorbij.

De nucleus gelatinosus is veel kleiner geworden dan in fig. 20S. Daarentegen is de nucleus sensibilis 1>, welke den eersten medio-ventraal omvat, grooter geworden. Dorso-mediaal ligt de tractus solitarius, welke bier reeds een klein stukje (lateraal geplaatst) gelatineuse substantie naast zich heeft,

Van nu af neemt de nucleus gelatinosus, naarmate men proximaalwaarts komt, in omvang af. In fig. 210, welke de trigeminusstreng treft ter hoogte der meest proximale vagusvezels, als de nucleus cuneatus zijn proximale einde heeft gevonden, is de nucleus gelatinosus wederom kleiner. Men vindt haar in den vorm van een paar kleine haardjes van gelatineuse stof, die ventraal zijn gelegen en omgeven zijn door den nucleus sensibilis b. Want deze is in omvang zeer toegenomen en blijft kenbaar aan de talrijke fibrae concomitantes.

In de vezellaag van den tractus zijn de mergarme vezels nog ten deele in den ventralen hoek samengedrongen, maar voor een ander deel zijn zij niet meer te herkennen, verspreid als zij liggen tusschen de overige stevig merghoudende vezels, die de latero-dorsale afdeeling bezetten.

Wat echter wel het meest merkwaardige in deze doorsnede is, dat is de vorming van een eigenaardig kernveldje dorso-mediaal van den nucleus sensibilis I). Het behoort niet meer tot de kern van Burdach. De laatstgenoemde heeft juist haar proximale einde bereikt, maar het komt er in bouw toch in alle opzichten mede overeen. Hier ontstaat het als een klein, aan Burdach's kern aansluitend, veldje en is het distale begin van den nucleus sensibilis a.

Het veldje ligt ingebed tusschen fibrae arcuatae van verschillende herkomst. Zij komen ten deele uit de naast dit veldje gelegen ventro-mediale kern van den tractus solitarius en slaan zich rondom dien bundel heen. Ten deele komen zij nog uit de juist verdwenen kern van Burdach en omgeven dit veldje dorsaal, maar ook ontspringen zij uit dit afgesplitste veldje van Burdach's kern zelf. Ook ziet men enkele (sterk gemveliniseerde) vezels uit de dorsale vezellaag van den tractus naar dit kernveldje gaan.

Sluiten