Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegen de raphe aan en liggen nog dorsaal van de daar reeds aangekomen (in meer distale niveaux) secundaire proprio-receptieve banen der extremiteiten. Het lot van deze baan is reeds behandeld. (Deel I, hoofdstuk V, p. 320).

In het stratum interolivare aangekomen veranderen de ontaarde boogvezels van richting. Zij slaan de proximale richting in en loopen verder in de lengte-as van den hersenstam. Zij blijven in de medulla oblongata en in den pons Varoli hun plaats behouden in het meest mediale gedeelte van den lemniscus medialis. Zij vormen er een compact degeneratieveld (fig. 218, 3—6 in «), dat in de Marchi-praeparaten intensief zwart is gekleurd, omdat de ontaarde vezels dicht opeen zijn gedrongen. In den hersensteel wordt de ventrale secundaire trigeminusbaan minder compact. Niet gedegenereerde vezels dringen zich tusschen de ontaarde vezels in. Dientengevolge wordt het degeneratieveld grooter. De meeste ontaarde vezels blijven wel de mediale plaats behouden, maar een aantal hunner verbreidt zich diffuus in de laterale afdeeling van den lemniscus.

Ter hoogte van het ganglion interpedunculare wordt dit al merkbaar (fig. 219, 1 bij «). De ontaarde vezels worden scheef getroffen. Vele ervan plaatsen zich meer lateraal.

In sneden ter hoogte van de roode kern (fig. 219, 2 bij «) neemt dit nog toe. De vezels verspreiden zich door het geheele veld van den lemniscus. Men vindt ze niet langer uitsluitend in het ventrale (mediale) gebied van den lemniscus, dat dorsaal van de substantia nigra ligt. Men vindt ze zelfs in het dorsale (laterale) gebied van den lemniscus, tot in den hilus van het corpus geniculatum mediale (fig. 219, 3 bij «) toe.

Het degeneratieveld heeft hier een halvemaanvormige gedaante. De ventrale hoorn (waar de ontaarde vezels het talrijkst zijn) ligt langs den hypothalamus, de dorsale hoorn van dit veld buigt echter mediaal in de formatio reticularis tegmenti en nadert op die wijze het degeneratieveld van de dorsale secundaire trigeminusbaan, zoodat er van hier af een minder scherpe scheiding is tusschen de beide secundaire trigeminuswegen. Voor beide blijft echter een meer compact ontaard veld op de oorspronkelijke plaats als ontaard ingsmiddelpunt bestaan.

Zoodra de ventrale thalamuskern aan haar distale einde wordt getroffen (fig. 219, 4 bij «), neemt de ventrale secundaire trigeminusbaan plaats in de stria medullaris ventralis thalami. Wol bevat de mediale punt dezer stria de meeste ontaarde vezels, maar men vindt ze verspreid overal in dit veld, tot daar waar zij de stria medullaris dorsalis thalami raakt, waardoor de hoofdkern der ventrale kerngroep van het corpus geniculatum laterale wordt gescheiden (fig. 219, 5 bij «).

Deze hoofdkern is met fijne degeneratiekorrels bezaaid. Want in die kern, en wel bepaaldelijk in het medio-ventrale gedeelte ervan, eindigt het gedegenereerde veld. Verder dan de ventrale kern van den thalamus is de baan niet te volgen. De ventrale secundaire trigeminusbaan is een baan, door welke de vezels uit den tractus spinalis N. V., die naar de meest proxi-

Sluiten