Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

genomen. Daarnevens echter ontstaat een meer of minder volledige stoornis in pijn en thermisch gevoel der gekruiste lichaamshelft.

Meestal ligt de proximale grenslijn dezer gekruiste stoornis in de halsstreek.

Somwijlen gebeurt het, dat de analgesie en thermanaesthesie verder omhoog reikt en dat zij nog in het gebied van den N. ophthalmicus en van den N. maxillaris aantoonbaar is.

Uit den in de vorige paragraaf gevolgden gedachtengang volgt noodzakelijkerwijze, dat de straks beschreven lange kinaesthetische banen niet aansprakelijk mogen worden gesteld voor de verandering in de waarneming van pijn en thermische prikkels. Er werd (Deel I, p. 236) op gewezen, dat deze stoornis in de gekruiste lichaamshelft berustte op de vernieling van den tractus spino-thalamicus, die de vezels uit den gekruisten achterhoorn der medulla spinalis naar het diencephalon geleidt.

Nu zijn er echter ook vezels, die uit de kernen van den tractus spinalis ontspringen en na kruising in het ventrale gedeelte der raphe in hooger niveau den tractus spino-thalamicus komen versterken, vooral daar, waar deze in den lemniscus lateralis overgaat.

Deze vezels zijn, naar mijne meening, van den nucleus sensibilis b afkomstig. Zij gaan bij voorkeur at van de middelste gedeelten van den tractus spinalis. Zij zijn fijne vezels, kruisen de raphe ventraal, komen dus tijdelijk in den lemniscus medialis, maar wijken vervolgens naar het laterale gedeelte van den lemniscus af, waarin zij met den tractus spino-thalamicus verder gaan.

Zoolang deze bundel zich nog niet heeft vereenigd met het laterale gedeelte van den lemniscus, komen er, na doorsnijding van den gekruisten tractus spinalis, geen ontaarde vezels in voor.

Al zijn deze vezels fijn, en al komen zij daardoor in lijnrechte tegenstelling tot de grove vezels der kinaesthetische wegen, zoo vallen zij niet in alle opzichten samen met de fijnvezelige baan, die Wallenberg als „Trigeminus-Sch leif e" heeft beschreven. Na afsnijding der proximale tractuskernen, degenereeren van daaruit fijne vezels, die zich ventraal kruisen en in den medialen lemniscus omhoog gaan. Waarschijnlijk zijn zoowel de vezels van \\ allenberg als die, welke hier worden bedoeld, beide componenten, der, op verschillend hooge niveaux, uit den nucleus sensibilis b ontsprongen, fijnvezelige, met den tractus spino-thalamicus gelijk te stellen baan.

Door het bestaan dezer tweede lange secundaire baan spreekt de verwantschap tusschen achterhoorn en tractus spinalis N. V al weer duidelijker.

Het hier gevoerde betoog laat zich dus als volgt samenvatten:

I. De nucleus gelatinosus tracti spinalis N. V zendt geen lange vezels uit, zoo min als het stratum gelatinosum der formatio Rolando of de zonale acliterhoorncellen het doen. Niet gecompliceerde extero-receptieve impulsen, aanrakingsimpulsen zonder meer dus, gaan uitsluitend langs korte wegen (hier fibrae concomitantes) omhoog.

Wat op p. 233, Deel I, omtrent de superpositie van vele korte stelsels

Sluiten