Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dit orgaan, in zijn eenvoudigsten vorm veel ouder dan vroeger besproken proprio-receptieve stelsels, wordt, in dien vorm, ook bij vele wervelloozen aangetroffen. Meer nog, met het tot stand komen van dit orgaan begint eigenlijk eerst de ontwikkeling van het centrale zenuwstelsel.

Als voorbeeld voor de beschrijving van dit orgaan, in een nog zeer eenvoudigen vorm kies ik de statocyste van Pterotrachea, een doorzichtige, in het water levende slak, die in de Middellandsche zee in grooten getale wordt gevonden.

In fig. 227 is een schematische doorsnede van dit diertje afgebeeld, die ik aan de welwillendheid van Prof. Nierstrasz dank.

Zooals men daaraan ziet, liggen de statocyste en het oog onmiddellijk bij een groote zenuwmassa, die als cerebraalganglion wordt opgevat. Vandaar gaat de stevige zenuwstreng uit, die over het pedale ganglion heen de voet der slak innerveert. Het diertje is al vrij hoog georganiseerd, bezit reeds het oog, dat als helper voor het ontstaan van een centraal orgaan meewerkt.

In fig. 228 is de statocyste van dit dier afgebeeld, naar een teekening van Ranke. In rust (fig. 228 A.) doet zij zich voor als een met vocht gevuld zakje, waarvan de wand met ciliën-dragende cellen (b) is bezet.

Daartusschen liggen in een vlekje (a) bijeen de zintuigcellen. Zij dragen

staafjes of haren, de hoor staafjes, welke echter bij deze vergrooting niet zijn aangegeven. De middelste cel is grooter dan de omliggenden en wordt als binnencel of centrale cel van de buitencellen onderscheiden. In het midden van het vocht, dat het zakje vult, ligt een z.g. otolith. Het doorzichtige dier kan men levend met den mikroskoop bezien. Dan kan men vaststellen dat wanneer een geluids¬

bron het dier nadert,

en luchttrillingen op het omgevende vocht overgaan, de haren der cilien-

Ptero trachea

Halfschematische afbeelding der Statocyste van

volgens Ranke.

A. in rust. B. als een toon in de nabijheid klinkt. a. = de z.g. gehoorsvlek, met een grootere middencel en de kleinere daaromheen gelegen buitencellen. Deze cellen dragen z.g. hoorstaaljes, welke bij deze vergrooting niet te zien zijn. b. = cilienbundels van de cellen die den wand der statocyste omzoomen, c. = zenuw.

Overgenomen uit Stanislaus von Stein. Die Functionen der einzelnen Theilen des Ohrlabyrinths. 1894. p. 120.

Sluiten