Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dragende cellen zich plotseling oprichten. Zij fixeeren den otolith en drukken hem in de richting naar het gehoorsvlekje toe, zooals het in fig. '228 B. is afgebeeld, naar de teekening die Ranke er van gaf.

Rythmische trillingen kunnen dus langs dien weg aan de z.g. hoorstaafjes der neuro-epitheelcellen worden overgedragen.

Voorts is het dier gewoon om bij het zwemmen, de voet, die het als echte slak bezit, als vin te gebruiken en naar boven te wenden. In rust niet; dan ligt het met den voet naar beneden.

Neemt men echter de statocyste weg, dan gaat het op den rug zwemmen en heeft dus de functie verloren, zijn stand tijdens het zwemmen te behouden. Wanneer het dus gelukt is om de statocyste te verwijderen, zonder het cerebrale ganglion te kwetsen, en men neemt als gevolg dier operatie waar, dat het diertje zijn stand bij het zwemmmen niet meer kan bewaren, dan mag men in haar het begin zien van een statisch eindorgaan.

\ran zulk een statocyste of otocyste, zooals men haar vroeger noemde, kan men dus zeggen, dat zij langs den wand, een groepje met haren bezette zintuigcellen, neuro-epitheelcellen, bezit, die hun impulsen ontvangen door middel van een mechanische botsing met den inhoud der cyste, d. w. z. met den in het vocht aanwezigen, vermoedelijk daarin gevormden otolith.

De twee feiten, die wij omtrent de functie der statocyste van Pterotraehea kennen, zijn:

le. dat haar zintuigcellen door rythmische trillingen kunnen worden aangedaan door tussclienkomst van den otolith (fig. 228 B.);

2e. dat de aanwezigheid van de statocyste een invloed heeft op het evenwichtsbehoud van het dier.

Maar niet alleen mollusken bezitten statocysten met otolithen. Ontelbaar is het aantal experimenten over otolithen bij lagere dieren, coelenteraten en crustaceën, verricht. Het resultaat dezer experimenten, die op allerlei wijzen, zijn gevarieerd, heeft tot op zekere hoogte, tot overeenstemming geleid. Elke verplaatsing van den otolith tegen de haarcellen, roept een impuls in het leven, tengevolge waarvan het getroffen dier den stand van den kop, romp en oogen in bepaalden zin wijzigt.

Het meest elegante bewijs vooï die stelling, is wel het experiment door Kreidl op aanraden van Exner bij een kleine kreeft, Palaemon, verricht. Hensen had waargenomen, dat dit dier gewoon is, bij iedere vervelling, kalkconcrementen, kleine steentjes of wat het krijgen kon, in de opening der statocyste te brengen en daardoor het bewijs geleverd, dat de samenstelling der otolithen niet de hoofdzaak is bij de functie der statocyste.

Kreidl gaf het dier onmiddellijk na de vervelling fijn verdeeld ijzer in het omgevend zeewater. Het dier voerde de ijzerdeeltjes in de statocyste, kreeg dus om het zoo uit te drukken, ijzeren otolithen.

Wanneer Kreidl dan het dier met een'staaf, die hij tot magneet maken kan, naderde, dan zag hij de dieren op regelmatige wijze hun

Sluiten