Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afdeelingen van het zenuwstelsel der achterste hersenzenuw van den mensch te beschrijven.

Eerst volgt dus de beschrijving van de plaats, die het eindorgaan inneemt, dan volgt die van den bouw van het labvrinth. Vervolgens wordt de samenhang van het eindorgaan met de perifere zenuwen, welke daaruit ontspringen, bespreken, dan hun eindiging in de primaire kernen ervan en eindelijk zullen de secundaire en tertiaire stelsels, die daarmee samenhangen, behandeld worden.

'i. Het eindorgaan van den N. Octavns. Het labyrinth.

A. De plaatsing van dit eindorgaan en zijn verhouding tot de omgevende deelen. Algemeene beschouwingen.

In de vorige paragraaf is vooropgesteld, dat de impulsen, welke het eindorgaan van den N. octavus bereiken, eerst langs een omweg afhankelijk zijn van de prikkels uit de buitenwereld.

Luchttrillingen, bewegingen van den kop, bewegingen van den romp, mogen het eindorgaan doen aanspreken, zij doen het eerst, nadat zij zijn vervangen' door mechanische botsingen, in het leven geroepen door verplaatsing of drukking van cuticulaire vormsels op haardragende zintuigscellen in een met endolymphe gevulde ruimte.

Het eindorgaan ligt bij de hoogere zoogdieren en bij den mensch dief» in het rotsbeen verscholen en slechts in middellijk verband met de prikkels die hen aandoen.

Het kan dus eerst dan behandeld worden, nadat de aandacht is gevraagd voor de organen, die een rol spelen bij de vervorming der prikkels uit de buitenwereld. Dat eischt een overzicht zoowel van de omgeving waarmee het eindorgaan in verbinding treedt, als van den stand en de plaats die het inneemt.

Voor den klinikus-neuroloog is het even noodzakelijk als voor den otiater, om de plaats van dit orgaan ten opzichte van zijn omgeving en zijn samenhang daarmeê te kennen. Niet alleen om het belang, dat die kennis bezit voor de waardebepaling der wetenschappelijke hypothesen over de geluidswaarneming en evenwichtsbehoud, maar ook omdat een groot aantal, bij uitstek gewichtige praktisch klinische vraagstukken onbegrepen blijft, wanneer deze attributen van het eindorgaan, hem niet geheel bekend zijn. Zooals in fig. 230 is afgebeeld naar een teekening uit het leerboek der anatomie van Rauber-Kopscli, ligt de oorschelp, het uitw.endig oor, ver van het eindorgaan verwijderd, en ligt het niet dadelijk voor de hand, op welke wijze luchttrillingen het zullen kunnen bereiken.

De oorschelp kan door spieren bewogen worden.

Zij vormt een trechter die de luchttrillingen opvangt, en loopt uit in

Sluiten