Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze beenige scheidingswand reikt van den modiolus af, tot ongeveer de helft van den beenigen buitenwand der winding en deelt dus iedere winding onvolledig in twee, boven elkander gelegen halve windingen, die men trappen of scalac noemt. Men onderscheidt een scala vestibuli, die in het vestibulum dicht bij den recessus sphaericus uitmondt en een scala tympani, wier monding in den sinus fenestrae rotundae is.

De halveering van de winding wordt echter volkomen, doordat aan de lamina spiralis ossea, de basis van den ductus cochlearis zich als de lamina spiralis membranacea vasthecht en haar met den buitenwand der winding verbindt.

Scala vestibuli en scala tympani worden door den ductus cochlearis van elkander gescheiden. In elke winding loopen dus drie gangen, die volkomen van elkander zijn afgescheiden, behalve aan den top der cochlea. Daar eindigt de ductus cochlearis in een blinden zak. De lamina spiralis ossea eindigt vrij in den liamulus. Scala tympani en scala vestibuli hangen er samen en die plaats heet hclicotrema.

Scala tympani of scala vestibuli zijn met perilymphe gevuld, een vocht, dat overal het eindorgaan omspoelt. Tusschen beiden ligt de in het helicotrema en in den recessus cochleae blind eindigende ductus cochlearis, die het specifieke eindorgaan bevat, met endolymphe gevuld is (fig. 230) en met eeh eigen epitheelbekleeding is voorzien, waarvan een gedeelte in het zintuigsapparaat is veranderd, dat den naam van Corti's orgaan draagt.

De stoot door den voetplaat van den stijgbeugel op de fenestra ovalis overgebracht, kan dus stooteu geven aan de perilymphe van de scala vestibuli. Men heeft wel gemeend dat de aldus ontstane voclitgolven zich door het nauwe helicotrema heen zouden voortplanten in de scala tympani, langs welke zij bij verdere voortleiding tegen het vlies, dat aan het ronde venster sluit, zouden stuiten. Daarom noemde men dit vlies, membrana tympani secundaria.

Ofschoon deze meening vermoedelijk onjuist is, blijft toch het feit, dat binnen deze dooi' de geluidsgolven bewogen vloeistof het eindorgaan geplaatst is.

Al deze verhoudingen kan men gemakkelijk in fig. 236 herkennen, waarbij men dan tevens een inzicht krijgt van de wijze, waarop door den meatus acusticus binnentredende N. octavus zich langs de gaatjes der areae vestibulares en cochlearis in het beenig labyrinth begeeft. Men kan echter de bizondere verhoudingen van het beenig labyrinth ook aan doorsneden door het rotsbeen herkennen en in het bizonder leenen zich daartoe doorsneden van foetaal materiaal, waar het labyrinth snel groeit, al vroeg ver in ontwikkeling is voortgeschreden, zoodat het bij een jong foetus spoedig even groot is als bij een volwassene.

In fig. 237 is een horizontale doorsnede geteekend door het rotsbeen van een menschelijk foetus van 17 cM. De snede loopt ongeveer evenwijdig aan den bovenrand van het rotsbeen, maar is tevens scheef, valt lateraal

Sluiten