Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Men mag dus zonder eenige overdrijving zeggen, dat de zenuwstelsels van den N. octavus, waaraan de mensch dankt het evenwichtsbehoud bij zijn opgerichten gang en de spraak, d. w. z. de bij uitstek menschelijke eigenschappen, voor den mensch een veel grooter belang bezitten, dan het optisch zenuwstelsel.

Bij den hier gesehetsten ontwikkelingsgang is het dus geenszins uitgesloten, dat ook de macula sacculi bijdraagt tot liet ontvangen van onderbroken prikkels zonder lichaamsverplaatsing en tot liet wekken van onderbroken bewegingen. De ervaring bij menschen verkregen, die de cochlea misten, pleit er echter niet voor, dat de macula sacculi nog iets zou toevoegen aan de jongst verworven differentiatie, aan het bewust worden van geluidsprikkels. Die functie schijnt uitsluitend gebonden aan de functie van het orgaan van C o r t i.

a. De striac der booggangen.

Er is misschien geen ander eindorgaan in liet dierlijk lichaam, dat zulk een grooten rijkdom aan toevoerende zenuwvezels bezit, als juist het labyrinth. De zenuwstammen, die door de gaatjes der foveae en maculae cribrosae binnen in het beenig labyrinth zijn gekomen en den hoofdstroom van hun vezels zenden naar maculae, cristae en organon Corti, overtrekken tevens de binnenzijde van het beenig labyrinth met een vrij dicht zenuwvlechtwerk. (Zie tig. 243.) Omdat deze plexus de perilyniphe tegen het been begrenst, kan hij plexus perilymphaticus worden genoemd. Deze zenuwvlecht zendt fijne takjes uit, die op meerdere plaatsen door de perilymphe-ruimte heen, vezeltjes afgeven aan liet vliezig labyrinth. Want de perilymphe is niet.een vloeistof' zonder meer, die de ruimte tusschen beenig en vliezig labyrinth opvult. Het is een weefsel, waarin men, vooral bij het pasgeboren dier, bloedvaten en vele kleine cellen met talri jke fijne protoplasmauitloopers vindt, die met elkander samenhangen. Daarin liggen do, met Oajal's fibrillenmethode, kleurbare fijne fibrillen. Zij verbinden het zenuwvlechtwerk dat tegen den beenrand aanligt met de zenuwvlecht, die tegen den buitenrand van het vliezig labyrinth wordt aangetroffen. De zenuwtakjes, die naar de maculae en de cristae gaan, doen zich dus voor als waren zij hoofdstrooinen van vezels, die van den plexus perilymphaticus gaan naar de zenuwvlecht, welke het vliezig labyrinth omgeeft.

Uit deze takjes en uit de vezels die elders door de perilymphe heengaan, ontstaat verder een grondplexus, de plexus basalis labyrinthi. Hij omgeeft overal het vliezig labyrinth en ligt vlak onder de cylindercellen, welke dien wand vormen.

Want de wand van het zakje wordt overal door cylindercellen gevormd. In den meest elementairen vorm, zooals men die bijv. in de booggangen vindt, vormen zij een enkele laag van bijna platte cellen, die nauwlijks

Sluiten