Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

fijn vezelnet in hokjes verdeeld, zoodat daarin een aanta] otolithen-houdende zakjes schijnen te zijn, aan welke men den naam van otoconiën heeft gegeven.

Jongere onderzoekingen hebben aangetoond, dat het eerste differentiatieproces hetwelk zich afspeelt in de celbekleeding van het gehoorszakje, niet is een scheiding tusschen de neuro epitheelcellen (de staafjes of haarcellen) en de basale cellen (de steuncellen), maar de vorming van een product, waartoe beide celsoorten bijdragen, de z.g. dek membraan. Op de macula sacculi kent men haar als de membrana otholithica.

In een stadium waarin nog geen duidelijk onderscheid tusschen de haarcellen en steuncellen te zien is, vindt men in de naar de endolymphe toegekeerde pool der cellón een centrosoom (van der Stricht) of diplosoma (Held) waaruit een fijne fibril, de zweepdraad, naar de endolymphe toegroeit. Die zweepdraden vormen oen fijn vezelnetwerk boven de cellen der macula.

Aan dc vorming der zweepdraden nemen, ook als het onderscheid tusschen haarcellen en steuncellen duidelijk is geworden, zoowel de diplosomen der steuncellen als die der haarcellen deel. Een bizonder langé zweepdraad (Held 's Aussengeissel) groeit uit den bundel fijne staafjes, waaruit het haar der neuro-epitheelcel is opgebouwd, als een uiterst stevige draad in dit netwerk.

De vezeltjes van dit vlechtwerk laten tusschen elkaar hokjes vrij. Daarin ontstaan de kleine otolithen en die hokjes met hun inhoud zijn dan onder den naam van otoconiën beschreven.

De otolithenmembraan met haar otoconiën ligt dus boven de macula sacculi; maar het schijnt mij bovendien niet aan twijfel onderhevig toe, dat fijne draden haar ook vereenigen met andere cellen in den wand van den sacculus, ver buiten het gebied, dat men tot de macula sacculi rekent.

In de otolithenmembraan boven de macula is het vlechtwerk, van fibrillen door de zweepdraden van steun- en haarcellen gevormd, bizónder dicht. Dit vlechtwerk wordt ijler en ijler, naarmate men zich van de zintuigsvlek verwijdert, maar hangt op meerdere plaatsen samen met de haren der cellen, die op den tegenover staanden wand van den sacculus zijn gelegen. Want bij het pasgeboren dier dragen al die cellen haren, al bezitten zij daarom nog niet den bundel staafjes of haren, zooals de zintuigscellen.

Ofschoon het meerendeel der kleine otolithen ligt in de membraan boven de macula, ontbreken zij niet geheel in de hokjes welke ook in de ijlere lagen van het netwerk wordt aangetroffen.

De zenuwverzorging van den sacculus is dus volgens het schema gebouwd, dat ook voor de booggangen geldt (fig. 243). Een plexus perilymphaticus door de binnentredende zenuw aangevoerd, ligt langs den beenigen recessus en geeft van alle kanten takjes af naar het vliezige zakje. Naaide macula van dit zakje gaat de stevigste bundel, de eigen ramus saceuWinkler TT. 1A

Sluiten