Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bijeen liggen. Aldus ontstaat boven elke crista een cupula, boven elke niacula een otolithenmembraan. Elke botsing tegen de zweepdraden en hun librillenuitbreiding in de endolymphe kan worden overgedragen naar de cellen der wandbekleeding, maar in de eerste plaats naar de grootere opeenhooping van zintuigscellen, welke in crista en niacula gevonden worden. Bovendien is de wandbekleeding ingeklemd tusschen een dubbelen zenuwplexus.

In de cristae en maculae liggen een groot aantal haardragende neuroepitheelcellen. Zij worden door de fibrillentakjes van den grondplexus om¬

sponnen op bizondere wijze, maar dat doet niets af' aan het feit, dat de zweepdraden der basale cellen zoowel als die der neuro-epitheelcellen, medehelpen aan den opbouw der dekmembranen en dat ook de basale cellen in den dubbelen zenuwplexus zijn opgesloten.

In de macula utriculi, in de cristae der ampullen en in de striae der wandbekleeding der booggangen, komt dus een geheel bijeen van door de endolymphe van het vestibulum heen loopende draden, welke hun grootsten omvang krijgen in de cupulae en in de otolithenmembraan van den utriculus.

Elke stoot tegen die draden kan worden overgebracht naar den grondplexus en daarmeê naar de verschillende takjes van den N. vestibularis, die gaandeweg

beschreven werden. Die takjes richten zich naar de proximale afdeeling eener langgerekte zenuwknoop, het ganglion plexiforme Scarpae (proximalis), die in den loop van den N. vestibularis is ingevoegd.

Ieder takje gaat naar een eigen afdeeling van dit ganglion, dat uit bipolaire cellen is opgebouwd, welke hun centripetalen uitlooper in den N. vestibularis verder zenden.

In de macula sacculi komen de draden samen, die door de endolymphe van den sacculus sphaericus heen loopen door tusschenkomst van de mem-

Fig. 249.

Snede door de gezamenlijke cupula der horizontale

en verticale booggang eener pasgeboren rat. ■ a. — crista. b. — cupula. c. = macula utriculi. d. — plexus perilymphaticus. e. — fibrillennetwerk in de endolymphe dat op verscheidene plaatsen samenhangt met de haren der wandcellen. f. = grondplexus. g. = verbindingsvezels tusschen plexus perilymphaticus en grondplexus.

Sluiten