Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De verst vooruitspringende lip der lamina spiralis ossea wordt echter door den N. cochlearis, welke het eindorgaan innerveert, doorboord. Dit is de habenula perforata \an Kölliker, van welke het blad, dat aan de scala tympani grenst, wederom het langst is en zich onmiddellijk in de membrana basillaris voortzet, die door het ligamentum spirale aan den beenigen wand van het slakkenhuis is bevestigd.

Is dus de limbus spiralis een zeer merkwaardig bouwsel, afkomstig uit de verhoornde wandbekleeding van den, op de lamina ossea gelegen, ductus cochlearis, nog merkwaardiger zijn de veranderingen, die de epitheelcellen hebben ondergaan, daar, waar het organon Corti zich vormt. Het rust op de membrana basillaris. Men onderscheidt dit stuk als de zona pectinata dezer membraan en geelt aan het deel dat tegen het ligamentum spirale aansluit de naam van zona arcuata der membrana basillaris.

De bedoelde veranderingen worden het best begrepen, als men uitgaat van een niet volledig ontwikkelde cochlea. Als voorbeeld daarvan is hier in fig. 251 een doorsnede geteekend van een orgaan van Corti bij een menschelijk foetus van 17 cM.

De lamina spiralis ossea en de membrana basillaris zijn daar bedekt door het epithelium van den ductus cochlearis. Men is gewoon daarin twee opeenhoopingen van epitheelcellen te onderscheiden. De binnenste of groote epitheelknobbel (A. fig. 251) en de buitenste of kleine epitheelknobbel. (B. in fig. 251). Beiden bestaan uit minstens twee rijen kernen en de daarbij behoorende epitheliumcellen zijn tusschen een membrana basillaris en een membrana limitans gevat (diepe en oppervlakkige cellen).

De groote knobbel ligt op de lamina ossea. De cellen, die hem samenstellen veranderen in de naar de endolymphe toegekeerde pool. De membrana basillaris wordt minder duidelijk naarmate men het labium vestibuli van den limbus spiralis nadert. De cellen verliezen hun korrelig protoplasa en worden tot de eigenaardige hoornachtige massa's op de habenula denticulata. In den sulcus spiralis vervloeien zij. Slechts enkele cellen schieten er van over (zie ook fig. 250 sulc. spir.).

De cellen uit den kleinen knobbel slaan een andere ontwikkelingsrichting in. Daar, waar groote en kleine knobbel aan elkander grenzen, ontstaat een kleine driehoekige spleet (c sp. fig. 251), de eerste aanleg van den arcus spiralis of den tunnel van Corti. Bovendien ontwikkelen zich de diepe cellen welke die spleet begrenzen snel tot stijve cellen, de latere pijlercellen van dien tunnel. De buitenste pijlercel komt langzamerhand scheever te staan (zie fig. 250 p. e.), de binnenste pijlercel staat Veel steiler (fig. 250 p. i.).

Deze cellen ontstaan of door deeling van de tweede cel van den kleinen knobbel, of uit de 29 en 3e cel, van binnen uitgerekend en zij ontstaan uit cellen met kernen, die dicht bij de membrana basillaris liggen (diepe cellen).

De eerste oppervlakkige cel van den kleinen knobbel, wordt tot een echte neuroepitheelcel, de binnenste haarcel, (zie fig. 251 h.) die tegen de

Sluiten