Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den ductus cochlearis, maar hangt door tusschencelspleten met de ruimte van Nu el en Corti's tunnel samen.

De naar buiten volgende cellen zijn hoog. Zij hebben een zeer helder, weinig kleurbaar protoplasma, een groote kern en dragen den naam van cellen van Hensen. De vlak aan Deiter's cellen grenzende cellen van Hensen rusten op de membrana basillaris, maar weldra schuiven zich tusschen hen en dit vlies lage cylindercellen, wier protoplasma zich intensief kleurt.

Deze cellen lieeten de (ellen van Clausius. Zij dragen de cellen van Hensen die weldra lager worden en dan gaan zij geleidelijk over in de cellen der wandbekleeding op het ligamentum spirale en in die van de bekleeding der stria vascularis.

Het eigenlijke organon C o r t i bestaat derhalve uit de pijlercellen, de haarof staafjescellen en de cellen van Deiters. Het rust op de membrana basillaris, en wordt van de endolymphe in den ductus cochlearis afgescheiden door de grenstnembraan. Op het Corti's orgaan rust weer de aan de cellen van den limbus spiralis verbonden membrana tectoria. De grensmembraan wordt evenwel door het verschillende aandeel, dat de pijlercellen en cellen van Deiters aan haar vorming nemen, een zeer samengesteld gebouwd vlies. Lerst door de beschrijving van Corti is deze membrana reticulata of de memlraan van Corti beter begrepen geworden. Thans stelt men het zich voor als een vlies, gevormd door de plaatvormige einden van pijlercellen en Deiter's cellen, waarin openingen vrij blijven voor de haarbundels der staafjescellen.

De membrana reticulata begint met de binnenste grensplaat (lig. 253). De binnencel van Deiters zendt er zijn vezelachtigen uitlooper heen en vormt in de grensmembraan de dwarse eindplaat, die aanstoot tegen de binnenwaartsche uitsteeksels der kopplaat van de binnenpijlercel. Door die stijve opening gaat, gelijk beschreven werd, de liaarbundel der binnenhaarcel.

Dan volgt een massief stuk, gevormd door de elkander bedekkende kopplaten der twee pijlercellen, totdat het eerst smalle en dan breeder wordende roer van twee naast elkander liggende pijlercellen opnieuw aanleiding wordt tot het ontstaan van een volgende opening. Naar buiten toe rust op de verbreede vlakte van het roer, de eindplaat van de eerste buitencel van Deiters (fig. 253, I). Zij heeft den vorm van een halter met een breed binnen- en buitenstuk en een smal middenstuk. Het breede binnenstuk, rustende op de verbreeding van het roer van twee buitenpijlers sluit de opening door welke de eerste buitenste haarcel haar staafjesbundel heensteekt. De eindplaat der tweede buitenste cel van Deiters heeft weer den haltervorm. Haar breede binnenstuk plaatst zich op de twee aan elkander grenzende buitenstukken der eindplaten van de eerste buitencellen van Deiters.

Aldus wordt een tweede opening begrensd. Naar binnen gesloten door het roer ol door de binnenplaat van Deiter's eerste cel, zijdelings begrensd

Sluiten