Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tectoria het vlies te zien, dat de vochtbewegingen overneemt of langs anderen weg de haarcellen prikkelt.

Ook dit vlies wordt langer naarmate men hooger in de cochlea komt en ook daarop kunnen verwante beschouwingen worden toegepast als Helmhol z voor de membrana basillaris deed gelden.

De zenuwvoorziening van Corti's eindorgaan geschiedt door tusschenkomst van vezels, die afkomstig zijn uit een klein ganglion, dat in een kleine, met het bloote oog zichtbare uitholling in de lamina spiralis ossea is gelegen. De op elkander volgende kleine hoopjes zenuwcellen, vormen met elkander het ganglion spirale N. cochlearis.

Het is een verzameling van spinale ganglia. Uit elk hunner ontspringt een merghoudende zenuwbundel, welke door de lamina ossea heenloopt en Nervus spiralis heet. Die bundel gaat naar de habenula perforata, om door de kleine opening aan haar top, door het foramen spirale dus, het eindorgaan te bereiken. Meer dan drie duizend van zulke spirale zenuwtakjes gaan dus boven elkander door de habenula perforata heen, en verliezen hun mergsclieede in het foramen spirale. Als merglooze fibrillentakjes doorboren zij dan de membrana basillaris.

De eerste rij dezer bundels van zenuwfibrillen, die fibrae spirales heeten, loopt tusschen de binnenste cel van Deiters en de binnenste staafjescel door, omspint hen en geeft een takje, die de haarcel met een fibrillenmandje omvat (fig. 252).

De tweede en derde rij der fibrae spirales gaan door intrapilaire celspleten in den tunnel van Corti, welken zij doorkruisen. Dan vormen zij weeleen vlechtwerk tusschen de buitenste cellen van Dei*ters en de buitenste haarcellen. Vanuit die plexus gaan telkens vezels omhoog, die elke haarcel met een fibrillenmandje omvatten en aldus de vierde, vijfde en zesde rij der fibrae spirales vormen (fig. 252).

Zijn de merglooze fibrae spirales vergelijkbaar met den oorspronkelijken plexus basalis der overige eindorganen van den N. octavus, de plexus, die tusschen de cellen van Deiters en de haarcellen worden gevonden en waaruit de vezels voor de fibrillenmandjes afgaan, zijn met den plexus endolymphaticus analoog, op soortgelijke wijze als de plexus tusschen de zintuigscellen en basale cellen der maculae en cristae ermee vergelijkbaar waren.

Maar vergelijking met het algemeene innervatieschema dezer organen met die van het organon Corti kan nog verder worden doorgevoerd, als men de binnenkomst van den N. cochlearis in de cochlea nader in oogenscliouw neemt.

Met dit doel is in fig. 254 een photo weergegeven eener snede, welke den modiolus cochlea en daarmee den N. cochlearis overlangs treft.

De centripetale uitloopers van het ganglion spirale (zie fig. 250) verzamelen zich allen in den N. cochlearis. Tevens echter neemt deze zenuw de vezels op, die uit de naburige macula sacculi zich hebben begeven naar liet tegen dm N. cochlearis aangeplaatste ganglion Scarpae (distalis) (zie fig.

Sluiten