Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2. Tuberculum acusticum, nucleus ven tralis N, VIII, tractus octavo -mesencephalicus, nuclei trapezoides, nuclei olivares superiores, en nuclei lemnisci lateralis.

De twee eerstgenoemde kernen behooren bijeen. Een celpraeparaat, zooals in fig. 269 is afgebeeld, naar een thionine-praeparaat der medulla oblongata eener normale volwassen kat, leert ons een nauwelijks verwachten rijkdom aan cellen daarin kennen. Zij verschillen zeer in grootte, vorm en bouw en gedragen zich tegenover de atrophie-experimenten op onderscheiden wijze.

Evenals dit in het vezelpraeparaat (fig. 256, 261, 265) het geval was, leert ook het celpraeparaat van heb tuberculum acusticum (fig. 269) een rangschikking der cellen in drie lagen kernen.

le. De buitenste laag, het stratum superficiale, die wij in het vezelpraeparaat gekenmerkt zagen door het gemis aan merghoudende zenuwvezels, blijkt opgebouwd uit een fijnkorrelige substantie, welke zich met carmijn zeer intensief rood kleurt (verg. ook fig. 273). Daarin bevinden zich een groot aantal kleine, 5 ,a groote pyramidevormige zenuwcellen, zenuwkorrels. Tegen het ependyma aan liggen zij verspreid, komen er slechts spaarzaam voor, naar de diepte toe nemen zij in aantal toe. Enkele grootere spoelvormige, bipolaire cellen vindt men er tusschen. Maar, over het geheel genorrien, verdient het stratum superficiale wegens de fijnkorrelige substantie die het kenmerkt, den naam stratum gelatinosum tuberculi acustici.

2e. De middelste laag, het stratum mediale, ons uit de degeneratieexpeiimenten bekend (fig. 261) als de laag, waarin de ontaarde collateralen der wortelvezels worden aangetroffen, is zeer rijk aan cellen en vormt het stratum cellulare tuberculi acustici. Zij is de dikste der drie lagen (fig. 269, 270, 273). De pyramidevormige korrels nemen in aantal zeer toe, zoowel in de oppervlakkige als in de diepe lagen. De meest kenmerkende eigenschap is echter het bezit van groote langgerekte (tot 50 lange) pyramidevormige, veelhoekige maar smalle cellen (zie fig. 269, 270, 278), wier lengte-as geplaatst is loodrecht op die der kern en dus gewoonlijk loopt in de richting van de straal, die men zich in het bolvormige ganglion denken kan. Zij zijn in één of twee rijen geplaatst en men noemt hen radiaire cellen of cellulae radiatae. In Nissl-praeparaten (fig. 270) zijn zij als lange, 10—15 ,u breede cellen te herkennen, aan de groote chromophile klompen en in het langgerekte cellijf. Golgi- en fibrillenpraeparaten leeren, dat hun axon meestal van het cellijf ontspringt, of ook van een der beide sterke dendrieten waarin de cel uitloopt, en in de diepe laag overgaat, om zich dan loodrecht om te buigen. Deze cellen zijn oorsprongscellen voor secundaire wegen en gaan te gronde als de lemniscus lateralis onder het corpus quadrigeminum posterius wordt doorsneden (zie- fig. 285 en fig. 278). 3e. De diepe laag, het stratum profundum of het stratum fibrarum tuher-

Sluiten