Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

centrale orgaan zijn doorsneden en met hen de uitbreiding dier vezels in de primaire kernen.

Vergelijkt men daarna vergelijkbare sneden der geopereerde en niet geopereerde zijde, zooals in fig. 278 naar een vezelpraeparaat is afgebeeld, dan leert men daaruit het volgende:

1°. De stria acustica is, omdat alle wortel vezels daaruit zijn verdwenen, ongeveer 1/3 kleiner geworden dan aan de normale zijde (fig. 273 A en B str. ac.). Men herinnert zich uit het degeneratie-experiment, dat daarin zeer veel gedegenereerde wortelvezels werden gevonden (fig. 261). Thans, nu laatstgenoemden verdwenen zijn, blijkt het dat de stria acustica secundaire vezels in nog grooter aantal bevat en ook dat deze secundaire vezels haar worden toegevoerd langs twee bundels, die in het normale vezelpraeparaat wel zichtbaar zijn (zie bijv. fig. 256, fig. 273 A), maar thans twee scherp begrensde bundels vormen.

De buitenste dezer bundels, de pedunculus striae acusticae e tuberculo acustico of de pedunculus lateralis striae acusticae ontwikkelt zich uit den hollen rand van het tuberculum acusticum (fig. 273 B fibr. e. tub. ac. ad str. ac.). Het stratum profundum van dit ganglion wordt dus niet alleen door wortelvezels, maar door een mengsel van wortelvezels en secundaire vezels opgebouwd.

De binnenste dezer bundels, de pedunculus striae acusticae e nucleo ventrali N. YII1 of de pedunculus medialis striae acusticae vormt zich langs den medialen rand der ventrale octavuskern en uit haar dorsalen pool. Aan de wortelstraling van den N. cochlearis worden dus door de pedunculi striae secundaire vezels toegevoegd. Zij zijn het, die er in overschieten, als tengevolge van labyrinth-exstirpatie de wortelvezels allen er uit verdwenen zijn.

2e. Bovendien is ook het stratum mediale van het tuberculum acusticum zeer veranderd. Daarin zijn vezels te niet gegaan, maar niet alle. Het is kleiner geworden, omdat alle radiair daarin (loodrecht op het stratum profundum) geplaatste vezels verdwenen zijn (vergelijk fig. 273 A en B). Overgeschoten zijn in het stratum mediale slechts tangentiale vezels, die evenwijdig loopen aan het stratum profundum. Bovendien kunnen zij op elkander vallen en dan schijnt het alsof het atrophische tuberculum daar een dichtere vezelformatie bezit dan het normale.

3®. Voorts is ook het distale einde van het corpus trapezoides in geringe mate kleiner aan de zijde der operatie (vergelijk fig. 273 A en B c. trap.). In tegenstelling van Baginski, die na Forel en Onufrowicz de atrophie der primaire octavuskernen heeft bewerkt en geen verkleining van het corpus trapezoides aan de geopereerde zijde kon waarnemen, heb ik altijd een geringe reductie van het distale einde dezer dwarsvezellaag kunnen vaststellen. Zij gaat gepaard met een even constante atrophie van den gekruisten nucleus trapezoides medialis.

4P. De nucleus triangularis is aan de geopereerde zijde kleiner dan aan Winkler II. 14

Sluiten