Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verdwenen. Een ander gevolg daarvan is, dat ook het veld van den tractus descendens N. VIII, aan de geopereerde zijde veel armer aan vezels is dan aan de niet geopereerde zijde (verg. fig. A en B tr desc N. VIII).

5e. Wat echter boven al het andere de aandacht tot zich trekt is dat het den schijn heeft, alsof de nucleus ventralis N. VIII, althans in het distale kerneinde volkomen is te niet gegaan. Niet alleen zijn de wortelvezels er allen uit weggevallen, ook van de cellen is, in de disto-ventrale afdeeling ervan, niets overgebleven (verg. fig. 273 A en B n ventr N. VIII).

Controleeit men die atrophie na labyrinth-exstirpatie aan celpraeparaten, dan blijkt de overeenstemming met de vezelpraeparaten, tot op zekere hoogte, inderdaad volledig te zijn. Goede karmijnkleuringen leenen er zich voortreffelijk toe, om in bizonderheden de veranderingen na te gaan, welke langen tijd na de labyrinth-exstirpatie in het tuberculum acusticum en in den nucleus ventralis N. A III worden aangetroffen. Daarom is in fig. 275, naai een karmijnpraeparaat, de dwarse snede door den cochlearisoorsprong afgebeeld van een konijn, dat kort na de geboorte deze operatie had ondergaan en daarna langer dan een jaar geleefd heeft. De snede treft de beide kernen der geopereerde zijde en ter vergelijking is in fig. 274 de dwarse snede door het cochlearisgebied geteekend, aan de niet geopereerde zijde van hetzelfde dier.

\ ergelijking dezer twee sneden, leert vooreerst resultaten kennen, die volkomen aansluiten bij hetgeen in vezelpraeparaten (fig. 273 A en B) in soortgelijke gevallen is gezien.

Het is ook bij karmijnkleuring duidelijk zichtbaar dat alle vezels van den N. cochlearis na de operatie verdwijnen (verg. fig. 274 en 275). Niet alleen die, welke aan de zijde der operatie den nucleus ventralis N. VIII binnengaan (fig. 275, N. cochl. en n. ventr. N. VIII), maar ook die, welke in radiale richting uitstralen in het tuberculum acusticum (fig. 274 fibr. r. d.). Dientengevolge zijn de beide pedunculi striae acusticae, die de secundaire vezels uit tuberculum acusticum en nucleus ventralis N. VIII toevoeren (fibr. e. tub. ac. ad. str. en fibr. e. n. ventr. ad. str. fig. 275) naar de stria acustica veel duidelijker dan aan de niet geopereerde zijde (fig. 274 str. ac.). Als dit in de teekening niet bij den eersten oogopslag blijkt, dan komt het, omdat in fig. 274 de stria niet geheel is afgebeeld, maar alleen haar pedunculus medialis volkomen in de teekening valt.

Met de vezels in het tuberculum acusticum gaan voorts een zeer groot aantal der kleine pyramidevormige korrels te gronde, zoowel in de diepe als in de middelste lagen. Bovendien verdwijnt daarin ten deele, de fijnkorrelige, zich met karmijn intensief kleurende, substantie en is dit ganglion veel lichter gekleurd en veel minder dicht gebouwd. Daarentegen ondergaan de radiale en fusiforme cellen slechts geringe veranderingen.

In tegenstelling met de in elk geval geringe reductie van het tuber-

Sluiten