Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET ZENUWSTELSEL VAN DEN N. OCTAVUS.

Behalve alle wortelvezels (fig. 284, r. mes. N. V.) is dit het geval met den fasciculus longitudinalis posterior (fig. 284 f. 1. p.), den tractus vestibulomesencephalicus (tr. vest. mes.), een deel der secundaire trigeminusbaan (tr. sec. N. V.) en in den lemniscus medialis (1. med.).

Voor ons is echter van belang, dat in den lemniscus latetalis het myelinisatie-proces reeds ver is voortgeschreden, verder dan in den lemniscus medialis eii dat de mergonihulling in den lateralen bundel er van (fig. 284 tr. lat. 1. lat.) weer verder is gevorderd dan in zijn medialen bundel (fig. 284 tr. med. 1. lat.). De dikke vezels zijn in den eersten bundel intensief zwart gekleurd tot stevige bundels vereenigd. Hij is dientengevolge gemakkelijk te onderscheiden van de nog slechts spaarzaam met merg omhulde dunne vezels, welke de magere bundeltjes van den tractus medialis samenstellen.

De ontwikkelings-geschiedenis geeft ons dus ook het recht om tweeërlei bundels in den tractus octavo-mesencephalicus aan te nemen. De ventrolaterale omhult zich eer met merg dan de mediale. Beide stelsels echter gaan van de zijdelings geplaatste octavuskernen, van tuberculum acusticum en nucleus ventralis N. VIII uit, en zij reiken tot aan den colliculus posterior. Proximaal daarvan worden nog enkele gemyeliniseerde vezels gevonden in het brachium colliculi posterioris ad corpus geniculatum mediale. Verder reikt zij niet in bundels die voor dit octavus-stelsel in aanmerking kunnen komen, zoomin als bij de degeneratie-experimenten gedegenereerde vezels proximaal daarvan worden aangetroffen.

De studie der mergontwikkeling en der degeneratie-experimenten laat derhalve dezelfde voorstelling toe. Men mag aannemen, dat er in den tractus octavo-mesencephalicus twee verschillende stelsels moeten worden onderscheiden.

Dit vermoeden wordt bevestigd door een andere en niet minder leerrijke controle op den loop van dezen tractus. Zij wordt ons aan de hand gedaan door het onderzoek der atrophieën, welke ontstaan in het centrale zenuwstelsel van dieren, langen tijd nadat men, toen zij pasgeboren waren, één der eindpunten der hier besproken baan heeft vernietigd.

Neemt men bij het pasgeboren konijn bijv. de zijdelings geplaatste octavuskernen weg, dan zijn, reeds na een paar maanden, alle daaruit ontsprongen oorsprongsvezels voor den tractus octavo-mesencephalicus te niet gegaan. Zij verdwijnen zonder ander spoor, dan geringe glia-reactie na te laten, ook in de kernen, waarin zij zich uitbreiden. Deze kernen atrophieeren derhalve tengevolge van het te nietgaan der vezels, die er in uitstralen. De cellen, die er in liggen, ondergaan geen ernstige veranderingen.

Doorsnijdt men daarentegen den lemniscus lateralis of verwijdert men den colliculus posterior bij het pasgeboren dier, dan ontstaat langzamerhand een axipetale atrophie in de vezels, welke van hun oorsprong zijn gescheiden.

Zij kan belangrijk zijn en gaat onder gunstige omstandigheden gepaard

Sluiten