Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

fig. 300). Dorsaal ervan vindt men de dorso-mediale bundel (f. dors. med. tr. oct. mes. fig. 300).

De verhoudingen, die wij op de vorige bladzijden bij dieren hebben leeren kennen, worden dus bij den mensch teruggevonden.

Bizonder leerzaam is het dan ook om deze snede te vergelijken met die, welke op dezelfde hoogte door den hersenstam gaat, maar ontleend is aan de doofstomme, wier laterale octavuskernen dubbelzijdig te gronde waren gegaan.

In fig. 301 is die doorsnede afgebeeld. Wat onmiddellijk in het oog springt is de sterke verkleining in het stratum lemnisci. Nader toezien leert echter, dat de laterale afdeeling ervan verreweg het meest heeft geleden

De nucleus ventralis lemnisci is klein. De verkleining berust echter niet op celverlies maar op het te niet gaan der daarin gevonden reticula.

De dorso-mediale bundel van den tractus octavo-mesencephalicus is ten naasten bij volkomen verdwenen (fig. 301 f. dors. med. tr. oct. mes.).

Niet zoo groot, maar toch nog aanzienlijk is de reductie van den ventro-medialen bundel (fig. 301 f. ventr. lat. tr. oct. mes.)

Het minst heeft de mediale afdeeling in het stratum lemnisci geleden. Ook de nucleus reticularis tegmenti pontis (fig. 301 n. ret. t. pont.) is weinig veranderd.

Daarentegen is de lemniscus centralis wel verkleind. Wellicht omdat zich stelsels uit de laterale octavuskernen ook daarin voortzetten. Maar stellig ook omdat er verplaatsing heeft plaats gehad. Want de grens tusschen lemniscus lateralis en centralis is niet scherp, de laterale loopt ventraal en dorsaal nog een eindweegs om de centrale lemniscus heen. De lichte veldjes in de centrale afdeeling zijn onveranderd.

Het middenste gedeelte van het tegmentum in dezen hersenstam is, afgezien van de verplaatsing, ongeveer gelijk gebleven aan die van het vergelijkingsobject (fig. 300). Een uitzondering moet opnieuw gemaakt worden voor den fasciculus longitudinalis posterior, den tractus vestibulomesencephalicus en den fasciculus praedorsalis. Zij zijn stelsels waarop, bij de latere bespreking van de kernen van den N. vestibularis nader moet worden teruggekomen. Zij zijn allen veel kleiner.

Dit geldt ook van den stam en de knie van den N. facialis, die niet volkomen ongedeerd zijn gebleven bij de aandoening, die de lijderes doofstom maakte.

Vergelijkt men tenslotte den lateralen lemniscus van den mensch daar, waar hij vrij aan de oppervlakte, lateraal van het brachium conjunctivum wordt gevonden, dus ter plaatse waar de kruising der bindarmen distaal begint, dan is de overeenkomst der secundaire octavusbanen van mensch en dier wederom sprekend (fig. 302).

Bij den normalen mensch vormt het stratum lemnisci, zoodra de laterale lemniscus naar het mesencephalon gaat afwijken, een haakvormig gebogen vezelveld, langs den lateralen en ventralen tegmentumrand. De lemniscus lateralis ligt grootendeels langs de laterale oppervlakte, maar nog voor een deel ventraal.

Wtnkler II. jg

Sluiten