Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

spino-thalamicus zijn overgebleven, die uit den centralen lemniscus en uit den medialen lemniscus zijn weg. De tecto-spinale vezels in dien bundel zijn dus gering in aantal.

Tevens is, zooals men uit die teekening ziet, de mediale afdeeling van het brachium posticum op ongeveer even groote schaal tot atrophie gekomen, als dit het geval was na het verlies der octavuskernen, welke in fig. 305 B is afgebeeld.

Het laterale deel van het brachium posticum is ongedeerd gebleven en wendt zich (fig. 306 B en Bi) onder de radiatio optica (r. opt.) door, naar de medio-dorsale vlakte van het corpus geniculatum mediale, in welks distale gedeelte het uitstraalt. Dit ganglion is daar ter plaatse, armer aan vezels dan het normale.

De in fig. 306 afgebeelde praeparaten onderscheiden zich van die, welke in fig. 305 zijn weergegeven, omdat in het eerste geval de lemniscus geheel is verdwenen, terwijl in het tweede geval, alleen de daarin zich bevindende octavusvezels worden gemist (zie fig. 303 en fig. 301).

Voor de in den voorsten heuvel uitstralende vezels, maakt dit een groot verschil.

Bijna alle overlangs getroffen vezels van middelste merg, zijn in fig. 306 Ai en Bi verdwenen en dit was niet het geval in de praeparaten, waaraan fig. 305 is ontleend. Daarentegen heeft het brachium posticum in beide gevallen ongeveer dezelfde veranderingen ondergaan. Het mediale deel ervan heeft een groot aantal vezels verloren; het laterale is ongedeerd gebleven. Het is voor het brachium posticum onverschillig te noemen of de lemniscus in zijn geheel verdwijnt of dat daaruit alleen de projectiebaan der cochleavezels wordt weggenomen.

Dit steunt de meening, dat de mediale afdeeling van het brachium posticum uitsluitend secundaire octavusvezels voor het corpus geniculatum bevat. Langs de laterale afdeeling van dien bundel ontvangt het ganglion een zeer groote hoeveelheid vezels uit den achtersten heuvel afkomstig, die misschien als tertiaire octavusstelsels kunnen worden aangezien, maar die in geen geval directe voortzettingen zijn van de secundaire octavusstelsels.

De uitvoerige beschrijvingen, die in deze paragraaf noodzakelijk moesten worden gegeven, laten een eenvoudige samenvatting toe, die voor den mensch en de hoogere zoogdieren ongeveer gelijkluidend zijn en die voor den klinicus en den physioloog, welke zich met de octavusrefiexen bezighouden, van belang kunnen worden, al zullen zij voorloopig nog een schematisch karakter moeten dragen.

le. De uit de cochlea ontsprongen, in het ganglion spirale cochleae onderbroken vezels, eindigen in het tuberculum acusticum en in het dorsodistale gedeelte van de ventrale octavuskern (fig. 277 en fig. 317).

2e. Uit die kernen ontspringt de dorso-mediale bundel van den- tractus octavo-mesencephalicus, die via de stria acustica ononderbroken doorloopt naar den achtersten heuvel van het mesencephalon en naar het corpus

Sluiten