Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vezels naar het proxiraale eind van den mergmantel der nuclei olivares

superiores (fig. 320).

Langs een omweg ontvangen deze kernen op nieuw impulsen uit de ventrale octavuskern, die over het cerebellum zijn heengegaan. Bovendien ontvangen de bovenste olijfkernen via den tractus teeto-reticularis vezels uit het mesencephalon (fig. 290).

Het knooppunt, dat in de olijfkernen wordt gevonden, is van vrij liooge organisatie, maar van geheel anderen aard dan het mesencephalon. Niet door cochlea-impulsen, maar door impulsen uit de otolithenorganen wordt dit knooppunt op verschillende wijzen in werking gesteld.

8®. Een ander stelsel, eveneens uit de ventro-distale afdeeling van den nucleus ventralis VIII ontsprongen, een bij voorkeur gekruist stelsel, voert octavusimpulsen uit otolithenorganen naar beide kernen in den lemniscus lateralis. Dit knooppunt verbindt hen langs wegen, via fasciculus dorsalis en fasciculus praedorsalis (in dezen bundel na terugkruising) met de ventrale zuil van het ruggemerg (fig. 283, fig. 318 B).

9e. Een derde stelsel uit dezelfde kern, gaat naar den achtersten heuvel van het mesencephalon. Langs den ventro-lateralen bundel van den octavomesencephalen baan, krijgt het mesencephalon zeer vele secundaire vezels uit de otolithen-organen aangevoerd.

10e. Enkele cellen van den nucleus ventralis, tusschen de intredende wortelvezels van den N. coclilearis gelegen, zenden hun axonen centrifugaal in die zenuw. Zij geven het aanzijn aan autonome vezels, welke in die zenuwwortel worden aangetroffen (fig. 275 en fig. 309).

3. Boehterew's kern, nucleus triangularis, de kerngroep van Dei ter 8, de eigen kern van den neerdalenden vestibulariswortel, tractus vestibulo-mesenceplialicus, tractus vestibulo-spinalis, fasciculus

longitudinalis dorsalis en praedorsalis, de verbindingen met de kleine hersenen. Haakbundel. Bracliium conjunctivum,

roode kern en rubro-spinale baan.

Zoodra de vezels van den N. vestibularis de medulla oblongata bereikt hebben, strijken zij langs de ventrale octavuskern en geven daaraan vezels af (fig. 257).

Deze vestibularisvezels gedragen zich als waren zij cochlearisvezels, vinden hun primair eindpunt in de ventrale kern. Hun secundaire wegen gaan langs het corpus trapezoides, op dezelfde wijze als wij dat voor de vezels uit den ramus sacculi hebben aangenomen. De onderstelling ligt voor de hand, dat de vezels, die uit den N. vestibularis naar de ventrale kern gaan en hun secundaire vezels in de ventrale octavusbaan afgeven, vezels uit den ramus utricularis zijn. Beide otolithenorganen brengen een deel hunner secundaire verbindingen in den ventro-lateralen bundel van den tractus octavo-mesencephalicus.

Daartegenover zij er nogmaals aan herinnerd, dat de dorsale wortel-

Sluiten