Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De ronde cellen geven oorsprong aan autonome octavus-vezels.

Deze cellen en de cellen van type b. in den nucleus ventralis N. VIII (zie p. 215) zijn de eenigen, die na doorsnijding der zenuw of na wegneming van het labvrinth verdwijnen.

De plaats, waar de nucleus Bechterew wordt gevonden, nl. in den zijwand van den IVden ventrikel, wekt al het vermoeden, dat die kern een autonome kern van het octavusstelsel kan zijn. De ronde vorm der cellen steunt die meening, ook hun uitbreiding langs de binnentredende wortelvezels. Hetzelfde geldt van de cellen van type b, welke tusschen de wortelvezels van den N. cochlearis worden aangetroffen.

De aanwezigheid van autonome vezels in het stelsel van den N. octavus is tot nog toe veel te veel naar den achtergrond geschoven en men heeft door deze veronachtzaming en door het vooringenomen standpunt, dat de N. octavus slechts centripetale vezels zou voeren, de feiten geweld aangedaan.

Toch is het snel te gronde gaan der cellen van den n. Bechterew, na octavusdoorsnijding, slechts te begrijpen als men aanneemt, dat deze kern een autonome kern van het octavusstelsel is.

Van deze kern uit zetten zich ronde cellen langs de radix ascendens voort. Men vindt ze verder tusschen beide wortelvezels, ook als ronde cellen in den nucleus ventralis VIII, waar zij als cellen van type b. beschreven zijn.

Het is reeds dikwijls, in Nederland o. a. door Dr. Quix, verdedigd, dat er in den N. octavus centrifugale autonome vezels moeten worden aangenomen, die invloed hebben zoowel op de bloedvaten als op de epitheelbekleeding van het vliezig labyrinth, voor zoover deze geen zintuigsepitheelcellen geworden zijn. Want de afscheiding van de endolymphe zou door bloedvaten en door de als kliercellen beschouwde wandcellen van het labyrinth geregeld worden, iets wat ter verklaring van enkele anatomische feiten van zeer groote beteekenis is.

Immers men kon, als gevolg der doorsnijding van den N. octavus, verwachten, dat het eindorgaan slechts weinig verandering zou ondergaan, wanneer men het kort na de operatie onderzoekt.

Tusschen het eindorgaan en de doorsnijdingsplaats blijft het spinale ganglion ongedeerd. De analogie leert, dat bijv. tastlichaampjes niet spoedig degenereeren als men den achterwortel doorsnijdt. Daarvoor is de doorsnijding der perifere zenuw noodig. Zoo zou men ook mogen verwachten, dat het ganglion spirale Corti's orgaan beschermde voor direct verval na doorsnijding van den zenuwwortel.

Maar in het octavus-stelsel is dit het geval niet. Er werd reeds de aandacht op gevestigd op blz. 215. De veranderingen, die onder zulke omstandigheden in het eindorgaan optreden, kunnen, naar mijne meening, eerst verklaard worden, als men de zenuwverzorging van de bloedvaten mede opneemt onder de oorzaken, die medewerken tot hun ontstaan.

Bij het hierna volgende, wordt als bekend ondersteld het feit, dat Winkler II. ' 19

Sluiten