Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

digheid verkrijgen, geven aan de triangulaire kern een bijzonder stempel en haar beteekenis wordt doorzichtig, omdat zij een middelpunt is, waaromheen grootcellige kernen zijn gegroepeerd.

De bouw van het celpraeparaat licht die beteekenis nog nader toe, vooral als men die beziet in samenhang met de gevolgen, welke de atrophie van den N. vestibularis voor vezels en cellen in die kern in het leven roept.

In fig. 310 is, naar een thionine-praeparaat van een konijn, een snede door de grootste uitbreiding van den nucleus triangularis geteekend. Men vindt er in de eerste plaats een zeer grooten rijkdom van zeer kleine zenuwcellen, zooals wij ze ook hebben gevonden in het tuberculum acusticum, dat men er lateraal in ziet overgaan. Daartusschen vindt men ietwat grootere, maar toch nog altijd slechts middelgroote cellen van pyramide- of van polygonalen vorm, die ver achterblijven in grootte bij die, welke wij in den nucleus ventralis N. VIII hebben ontmoet of bij die der cellulae radiales uit het tuberculum acusticum.

Zij zijn in groepen gerangschikt, die wel is waar weinig scherp van elkander zijn gescheiden, maar toch een indeeling toelaten in een laterale tegen het tuberculum acusticum aangelegen groep, een mediale, door knie en wortel van den N. \ II begrensd en een centrale, welke tusschen beiden inligt (fig. 310, a, b en c).

In den latero-ventralen hoek van den nucleus triangularis, dus in den top van den driehoek, worden de cellen grooter, veelhoekig en bereiken zelfs een grootte, die niet achterstaat bij de grootte der cellen van Deite rs. Daar deze groote cellen niet alleen in vorm en grootte overeenkomen met die, welke tusschen de wortelvezels in het corpus juxtarestiforme zijn gelegen en daar zij zich tegenover de atrophie van de wortelvezels van den N. vestibularis anders gedragen dan de kleine en middelgroote cellen van den nucleus triangularis worden zij met volle recht niet tot de hoofdkern, maar tot den nucleus proprius radicis descendentis N. vestibularis gerekend.

De axonen der kleinste cellen blijven in den nucleus triangularis, die der middelgroote overschrijden het kerngebied slechts weinig. De kleinste cellen brengen de uitermate talrijke vezels van den vestibulariswortel in verbinding met de middelgroote cellen. Deze weer brengen hun axonen in verbinding met de kern van den N. abducens (langs nucleus intercalatus en praepositus met den nucleus N. XII) of wel zij vormen een bundel in den tractus Fuse (Deel I, fig. 171), waardoor de formatio reticularis wordt aangehaakt. Ten deele werpen zij zich in de kern van Deiters en in meer distale niveaux in' de eigen kern van de radix descendens; eindelijk zenden zij zeer talrijke vezels langs fibrae tegmento-cerebellares naar het cerebellum.

Daarmee wordt niet ontkend, dat de groote cellen uit de kern van Deiters en uit die eigen kern ook door directe fibrillen uit de wortelvezels worden omsponnen, maar wordt vastgesteld, dat de fibrillennetten rondom deze cellen vooral worden gevoed door cellen uit den nucleus triangularis.

Sluiten