Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij ligt tusschen tractus spino-cerebellaris ventralis en bindarm, die geen van beiden ontaarde vezels bevatten en omvat den laatstgenoemden ïsvormig. Hij is de haakbundel of fasciculus uncinatus, die hier getroffen 18 aan zijn meest proximale einde. Want hij buigt om den bindarm heen daar zijn oorsprong in de kleine hersenen — de nucleus fastigii —, zoowel als zijn einde in de medulla oblongata — de nucleus Deiters — veel verder distaalwaarts zijn gelegen.

Om die reden wordt in meer distale sneden, als de bindarm reeds een deel is geworden van het merg der kleine hersenen, de bundel niet meer als een lis op den bindarm gevonden. Hij wordt van nu af aan twee keer getroffen. In tig. 314 B vindt men hem:

a. als een massief ontaarde driehoekige bundel, dorso-mediaal van den bindarm in de kleine hersenen tusschen hem en de mediale kernen van het cerebellum en

h. als een bundel van scheef getroffen vezels, die langs den medialen rand van de area ovalis corporis restiformis tusschen dit veld en het corpus juxta-restiforme is gelegen. Daar reeds begint hij ontaarde vezels af te geven aan de kern van Deiters.

Op dezelfde plaatsen ongeveer vindt men hem in hg. 314 C tweemaal geraakt. In het cerebellum ligt hij thans direct onder den nucleus globosus en dén nucleus fastigii. Daar is hij al weer dichter bij zijn oorsprong gekomen. In de medulla oblongata heeft hij zijn plaats langs den medialen rand der area ovalis behouden en gaat voort de kern van Deiters te voorzien. Te dier plaatse kan men hem als de kern van Deiters voorbij is gegaan, nog vrij ver distaalwaarts volgen, steeds vezels afgevend aan den nucleus radicis descendentis N. vestibularis.

In tig. t»14 D ziet men, hoe de wonde beiderzijds de nuclei fastigii treft, en is de haakbundel nabij zijn oorsprong. Hij ligt daaronder tegen de uvula aan.

De loop van den haakbundel is dus tot zoover overzichtelijk genoeg.

Hij ontspringt uit den nucleus fastigii en voor een deel uit den nucleus globosus, loopt na kruising in de middellijn onder de kernen tusschen uvula en bindarm proximaalwaarts. Dan slaat hij zich om den bindarm heen en loopt als hij den medialen rand van de area ovalis heeft bereikt, m distale richting terug, eerst langs de kern van Deiters en dan langs de nucleus radicis N. vestibularis, om beide kernen van vezels te voorzien.

Ter hoogte van den nucleus N. abducentis gekomen (fig. 314 D) ziet men uit hem een vrij groot aantal vezels in mediale richting de formatio reticularis ingaan. Enkele dezer vezels streven naar den nucleus N. VI, voorzien die kern, maar de meesten gaan in de formatio reticularis distaalwaarts en dan kan men hen niet meer onderscheiden van andere ontaarde vezels, die langs fibrae perforantes de formatio reticularis hebben bereikt.

Hier ontmoet men dus- een krachtig reflexstelsel met een middelpunt in den nucleus globosus en in den nucleus fastigii. Aanvoerende vezels

Sluiten