Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De N. octavus bestaat niet uit twee zenuwen, maar utt evenveel functioneel verschillende zenuwen, als liet labyrinth onderscheiden eindorganen bezit.

Bij de hoogere zoogdieren kan voorloopig nog niet voldaan worden aan den eisch, dat aan elk der van hen afhankelijke zenuwstelsels een eigen plaats in het groote geheel wordt aangewezen. Zoolang dit niet kan, benadert men de onderscheiden functies van het octavus-stelsel beter door een indeeling in drie onderdeelen.

a. De vezels uit de cochlea. Zij loopen in den N. coclilearis en bereiken de medulla oblongata als de meest distaal geplaatste octavusvezels.

b. De vezels uit de maculae acusticae of de vezels der otolithenorganen. Zij loopen deels in den N. cochlearis (uit den sacculus), deels in den N. vestibularis (uit den utriculus). Zoodra zij de medulla oblongata bereiken, volgen zij proximaal op de cochlea-vezels met dien verstande, dat sacculusvezels distaal van utriculus-vezels binnengaan.

c. De vezels uit de booggangen. Zij loopen in den N. vestibularis, bereiken de medulla oblongata nog verder proximaalwaarts, dan de sub b. genoemde vezels.

Deze verhoudingen zijn weergegeven in het schema fig. 263, op blz. 186, dat tot op zekere hoogte een grondslag is voor de hier gegeven voorstellingen.

De cochlea-vezels worden verder geleid in secundaire systemen, die voor een deel de projectieweg voor het hooren samenstellen, voor een ander deel de reflexweg der cochlea-impulsen vormen.

De vezels uit de otholiten-organen geleiden impulsen, waardoor tonische reflexen op oogen, romp en extremiteiten worden onderhouden, wanneer het hoofd verplaatst wordt ten opzichte van de rest van het lichaam. In samenwerking met andere, in de eerste plaats proprio-receptieve impulsen, maar ook met extero-receptieve en optische impulsen verzekeren zij aan de lichaamsdeelen onderling een bepaalden stand in de ruimte (de Stellreflexe van Magnus en de Kleyn.)

De uit de booggangen afkomstige impulsen spelen bij het tot stand komen dier tonische reflexen de ondergeschikte rol. Zij ontvouwen hun werking eerst bij de bewegingen van het geheele lichaam (Draai-reacties, nareacties van oogen en hoofd, enz.).

Juist de ontleding der octavusreflexen en het herkennen hunner samenwerking met andere (halswortelreflexen, halfzijdige tastreflexen) door de voortreffelijke onderzoekingen uit de school van Magnus, vraagt van de anatomie een poging om ook intracentraal de wegen uiteen te houden, die de vezels uit cochlea, uit otolithen-organen en uit booggangen inslaan.

2. De cochlea-vezels (schema 317). Nadat zij door hun spinale ganglion — het ganglion spirale cochlea — zijn heengegaan, begeven zij zich in den N. cochlearis naar het tuberculum acusticum en naar de disto-dorsale af-

Sluiten