Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

cortico-pontine-cerebellaire stelsel heeft verkregen en bij de overwegende rol, die dit stelsel en de cortico-spinale baan bij de bewegingen vervult, het tot nu toe besproken reflexstelsel van den N. octavus, niet meer van zoo ingrijpende waarde. De D e i t e r o-spinale baan, het ruggemergsaandeel der beide lengte-bundels, de rubro-spinale baan, kortom al de banen, die men wel als neven-pyramiden samenvat, zijn bij den mensch van relatief geringen omvang.

Rechtstreeksche overdraging van de reflex-functies der dieren op menschen is daarom geenszins geoorloofd, al is het onmogelijk om het menschelijk stelsel te begrijpen zonder dat der hoogere dieren te kennen. Omgekeerd is het octavus-stelsel van den mensch, voor zoover het met dat der hoogere dieren vergelijkbaar is slechts ten deele beschreven. Ongelukkigerwijze schiet onze kennis hier te kort. Voor de beoordeeling der verbindingen, die de octavuskernen met de kern van den N. hypoglossus, met de ventrale kern van den N. vagus en met die van den N. facialis vormen missen wij voldoende gegevens. Met het oog op de spreekbewegingen, hebben zij waarschijnlijk al in de medulla oblongata, een vrij sterke ontwikkeling bereikt.

Er bestaat bij den mensch in den bundel van Fuse een stevige verbinding van den nucleus triangularis met den nucleus intercalatus en met het tegmentum, ook is de nucleus intercalatus bij den mensch een stevige kern. Maar dat is ongeveer alles wat wij van het bizondere deel van het menschelijk octavus-stelsel weten.

4. De secuudaire kernen en de tertiaire banen in het Octavusstelsel.

A. Inleiding.

Na de bespreking van de uit primaire octavuskernen ontsprongen stelsels en van hun einde in de z.g. secundaire kernen, doet zich de vraag voor, welke verbindingen de laatstgenoemde maken met meer proximaal gelegen afdeelingen van het centrale orgaan, met thalamencephalon en prosencephalon en tevens welke nieuwe uitvoerbanen, als gevolg dezer centripetale verbindingen voor het octavusstelsel beschikbaar worden.

In de vorige paragraaf werd betoogd, dat de nuclei olivares superiores en de nuclei lemnisci centripetale wegen daarheen niet uitzenden. Die meening steunt op het feit, dat de exstirpatie van prosencephalon of thalamencephalon, bij het jonge dier, niet in staat is, om de cellen in die kernen tot atrophie te brengen. Bovendien wordt dan slechts gering vezelverlies daarin' waargenomen. Deze kernen worden dus evenmin door omvangrijke centrifugale wegen, die in de hersenen hun oorsprong nemen, beheerscht.

Anders staat die vraag voor de secundaire octavuskernen, die wel onder den invloed staan van exstirpaties van het prosencephalon,

Sluiten