Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daarmee wordt de achterste heuvel daar nog veel kleiner en is het celverlies daar veel grooter dan bij het konijn.

Het schema, waarin de verbindingen van den achtersten heuvel met thalam-encephalon en prosencephalon zijn aangegeven en dat dus onmiddellijk aan het schema fig. 289 aansluit, vindt men in fig. 325 afgebeeld, afgezien van alle kruisingen in de commissura, die stellig voorkomen.

Van den lemniscus uit gaan twee wegen, beide op de vorige bladzijden beschreven, voor een deel direct in het brachium posticum over.

Vezels uit den octavo-mesencephalen weg en uit de lateraalste afdeeling van het centrale stratum lemnisci, bereiken daardoor het corpus geniculatum mediale en vinden er hun voorloopig einde.

Axonen uit de perifere cellen (cortex en centrale kern) van den achtersten heuvel vormen echter verreweg het grootste bestanddeel van het brachium posticum. Van die vezels blijven er eenigen in het corpus geniculatum mediale, de meesten echter gaan langs den weg, die aanstonds bij de bespreking van het corpus geniculaturn mediale zal worden aangewezen, te zamen met vezels uit het laatstgenoemde ganglion verder en bereiken zonder verdere onderbreking de hersenschors. Zij spreiden zich over een groot deel daarvan uit. De meeste dezer vezels gaan naar de slaapkwab (zie fig. 335 en fig. 336). Tevens gaan er echter vezels naar de wandkwab, vooral naar de tegen fissura Sylvii aangelegen windingen en naar de overgangswindingen tusschen wand-, slaap- en achterhoofds-kwab '(fig. 335, fig. 333 en fig. 334).

Dit is in het schema tot uitdrukking gebracht.

Er is echter in dit schema ook, aangenomen, al is het niet zoo stellig bewezen, dat ook uit de voorhoofds-kwab vezels in het brachium posticum overgaan.

Dit geschiedt op grond van de ervaring, dat na haarden die uitsluitend den voorhoofdskwab vernielen, het brachium posticum kleiner wordt (fig. 332), zonder dat zijn atrophie aanleiding geeft tot celverlies in den achtersten heuvel. Die weg is in schema fig. 325 aangegeven door een onderbroken lijn.

De achterste heuvel van het niesencephalon zendt dus een centripetalen bundel naar de hersenschors — het brachium posticum. Dit is een tertiaire weg in het octavus-stelsel. Die bundel is zeer gecompliceerd. Hij voert vezels met zich, bestemd voor slaap- en wandkwab en voor de overgangsgebieden tusschen deze lobben en den achterhoofdskwab.

Bovendien zijn er argumenten voor de onderstelling dat daarin ook centrifugale vezels uit den voorhoofdskwab loopen. Is die voorstelling j'uist, dan zou die heuvel het uitgangspunt zijn van een reflex-stelsel, dat in zichzelf gesloten is en via de hersenschors naar dien heuvel terugkeert. Daarop wordt teruggekomen, zoodra het groote stelsel is behandeld, dat het corpus geniculaturn mediale naar de hersenschors uitzendt en dat ons thans bezighouden moet.

Sluiten