Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

groepjes van 2—6 bijeenliggen en ingebed zijn in een tusschenstof, die zich met karmijn zeer intensief kleurt.

Die kern is betrekkelijk vezelarm en maakt den indruk eener compacte opeenhooping van cellen. Geheel anders van bouw is de dorsale kern.

De groote veelhoekige cellen, die haar samenstellen (fig. 328 A) liggen ver uiteen en worden van elkander gescheiden door tusschenliggende vezelbundels. De scheiding tusschen deze twee hoofdkernen is scherp in het mediale gedeelte van het corpus geniculatum mediale. Lateraal waar ts gaat de dorsale kern geleidelijk en zonder scherpe scheiding over in de randkern, zoodat het schijnt alsof de dorsale kern zich met een uitlooper lateraal om de ventrale kern heenslaat.

Maar de cellen van dien uitlooper, van de randkern dus zijn anders gebouwd. Zij zijn slanke langgerekte veelhoeken, gelijken in vorm veel meer op de cellen, die in de kernen van den pedunculus cerebri worden gevonden, in welke de randkern zonder duidelijke scheiding overgaat. Wordt nu bij het pasgeboren dier de hemisphaer weggenomen, dan ondergaan de beide hoofd kernen van het corpus geniculatum zeer intensieve veranderingen. Alle cellen, zoowel in de dorsale als in de ventrale kern verdwijnen (fig. 328 B), maar er blijven een aantal cellen in de randkern ongedeerd en daar in zulke gevallen ook de commissura van Gudden onveranderd blijft, is dit een argument voor de stelling, dat de commissura Gudden uit de randkern zou ontspringen. De kleinere oorsprong dezer commissuur moet dus van het centrum der hoofdkern van den colliculus posterior mesencephali, de grootere van de randkern van het corpus geniculatum mediale afkomstig zijn.

Met de wegneming van het prosencephalon verdwijnt ook de pedunculus corporis geniculati medialis.

Niet alleen gaan de vezels, die dit ganglion met de schors verbinden, te gronde, maar ook die, welke uit het brachium posticum afkomstig, in dien pedunculus loopen. Bij het konijn blijft echter in zulke gevallen een rest van het brachium posticum over, n.1. de vezels, die uit den achtersten heuvel naar het corpus geniculatum mediale gaan (zie fig. 325).

Ofschoon nu zoowel de dorsale als de ventrale kern alle cellen verliezen wanneer de hemisphaer geheel is verwijderd (fig. 328 B) is het mij niet gelukt om door partieele schorsexstirpaties de kernen afzonderlijk tot atrophie te dwingen. Men bereikt dit doel niet als men het temporale gedeelte van de hemisphaer bij een konijn wegneemt. Beide kernen worden dan kleiner en in beiden komt het tot celatrophie. Wel ondergaat de dorsale kern in sterker mate de gevolgen der vernietiging van het temporale schorsgebied dan de ventrale, maar een geïsoleerde atrophie van één dezer kernen wordt daardoor niet in het leven geroepen.

Ook bij den mensch vindt men soortgelijke verhoudingen als bij het konijn werden beschreven.

Men moet echter bedenken, dat het corpus geniculatum mediale bij den

Sluiten