Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afdeeling van den tractus octavo-mesencephalicus, na aftrek der vezels, die de reflexkernen op lager niveau (nuclei olivares, nuclei lemnisci) voorzien, nog vezels in het- mesenceplialon overgaan. De vezels in den ventralen secundairen octavusweg zijn evenwel beschouwd als geleiders van impulsen uit de otolithenorganen van het labyrinth, die eerst in het mesencephalon en dan in de corpora geniculata, organen vinden, waar samenvoeging van otolithenfuncties met andere, in de eerste plaats proprio-receptieve en optische functies tot stand kunnen komen.

Bij de groote beteekenis, die de daaruit ontstane gepraeformeerde instellingsbewegingen voor alle drie zintuigen bezitten, wordt het begrijpelijk, dat het uit de samenvoeging dezer drie functies ontstane geheel tot, verdere verwerking naar de hersenschors wordt gevoerd. Ja, het zou onverstaanbaar zijn (daarop wordt nog teruggekomen) indien men moest onderstellen, dat mesencephalon of thalamencephalon, impulsen verder konden zenden, die nog maar één enkel zintuig vertegenwoordigen.

Het schema in fig. 339 heeft deze beide bundels, den geniculo-temporalen en den geniculo-parietalen bundel, in beeld gebracht, zonder dat het zich met de ongeoorloofde onderstelling inlaat, alsof de een uitsluitend cochleaimpulsen, de ander uitsluitend otolithen-impulsen geleidt.

Maar naast die twee bundels, die zich recruteeren uit vezels, die langs den hersenstam proximaal loopen, staat een tweede, zeer krachtig geheel van stelsels, dat over het cerebellum gaat en door het brachium conjunctivum cerebelli wordt aangevoerd.

Slechts een der laatstgenoemden blijft in de pars magno-cellularis der tegenoverliggende roode kern en kan met behulp van den terugkruisenden tractus rubro-spinalis de aan het cerebellum gelijkzijdige ruggemergszuil in werking brengen (fig. 320).

Bij menschen, waar deze afdeeling der roode kern en de rubro-spinale bundel onbeteekenende grootheden zijn geworden, speelt dit stelsel (in tegenstelling met dat bij dieren) nauwelijks een rol.

De ontleding der roode kern, kan eerst later, na een meer nauwkeurig onderzoek der kleine hersenen en in samenhang daarmee, ter hand worden genomen. Hier wordt voorop gesteld, dat de groote ontwikkeling der menschelijke roode kern te danken is aan den buitengewoon sterken groei van afdeelingen dier kern, die met den grootcelligen oorsprong van den rubrospinalen bundel, niets uittestaan hebben. Een groot aantal der vezels van het brachium conjunctivum vindt een einde in de bij menschen waarlijk reusachtig groote reticulaire en kleincellige afdeelingen van den nucleus ruber. Niet minder groot is het aantal vezels, dat zonder daarin een einde te vinden, er doorheen gaat.

Tjit de reticulaire kleincellige afdeelingen der roode kern ontspringen nieuwe vezelstelsels, welke met de vezels, die door de kern heenloopen, verder gaan in de sterke vezelmassa die vooral latero-dorsaal de kern als een mantel omringt.

Sluiten