Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dellijk met de geboorte reeds het merg in de thalamo-parietale straling verschijnt, terwijl eenige maanden later de geniculo-occipitale straling en kort daarop ook de geniculo-temporale straling met mergomhulling begint.

Deze feiten staan vast, maar er is twijfel te opperen aangaande de juistheid der conclusie door Flechsig daaruit afgeleid. Hij meent dat de hersenschors zich liet splitsen in een ontvang-apparaat in de parietale, temporale en occipitale lobben, waarheen de vroegst merghoudende banen gaan en in een ander, een associatie-apparaat, dat zelf niet ontvangt, maar waarin datgene wat in het ontvang-apparaat aankomt verwerkt wordt.

Veeleer zou ik geneigd zijn om aan deze feiten een andere beteekenis te hechten.

Banen, die nog vergelijkbaar zijn met de centripetale armen van een over de hersenschors arbeidenden reflexboog, en uit dien hoofde nog bij voorkeur in werking worden gesteld door impulsen uit één enkel zintuig, myeliniseeren spoedig. Eerst later ontwikkelt zich het merg in banen, welke worden uitgezonden door de subcorticale centra, nadat daarin aanvoerende vezels uit meer dan één zintuig zijn samengevoegd. Die polysensorische systemen myeliniseeren eerst dan, wanneer ook de subcorticale reflexmechanismen zijn volgebouwd, later als de mono-sensorische banen.

Aldus krijgt het schorsveld, dat tusschen de drie groote aanvoerende, vroeg myeliseerende, vezelstroomingen is gelegen niet de beteekenis van een associatieveld alleen. Stellig neemt het deel aan associatieve functies, maar dat doen de projectie-hersenen van Flechsig ook.

Dit veld ontvangt uit het mesencephalon en uit de corpora geniculata andere impulsen, die eerst in een later stadium van belang worden. Zij zijn van poly-sensorische aard en hun samenwerking met de mono-sensorische impulsen is voor de oriëntatie van het grootste belang.

Het is alleszins begrijpelijk, dat het schorsveld van het corpus geniculatum laterale zooveel grooter is dan de rondom de flssura calcarina gelegen zone.

Geenszins kunnen, naar mijne meening, tegenover dit bij mensclien vaststaande feit, de fraaie experimenten van M i n o w s k i worden geldend gemaakt. Want het blijft een petitio principii, dat het omvangrijke schorsveld, door Minowski bij zijn proefdieren verwijderd, niet meer zou zijn, dan hetgeen bij menschen aan de calcarina-zone beantwoordt. De groote beteekenis dezer experimenten ligt, naar ik meen, op een geheel ander gebied.

Het wordt ook begrijpelijk waarom de schorsvelden der beide corpora geniculata zoover over elkaar heen grijpen.

In dezen gedachtengang zou het veeleer onverstaanbaar zijn indien die ganglia slechts een klein schorsveld beheerschten.

Het zien b.v. kan men zich niet denken als een functie, die alleen van de retina afhangt. Om te zien is noodig dat het hoofd op bepaalde wijze is ingesteld, dat de oogen een daarvan afhankelijken stand innemen. Is dit gegeven, dan kan de proprio-receptiviteit der oogspieren zich daaraan aanpassen.

Sluiten