Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK TX.

IIET PROXIMALE EINDE DER MEDULLA OBLONGATA EN HAAR OVERGANG IN DE VAROLSBRUG. DE MOTORISCHE KERNEN YAN DEN N. FACIALIS EN VAN DEN N. ABDUCENS. HUN CORTICO-FUGALE INNERVATIE EN DE VERDWAALDE PYRAMIDE-VEZELS. DE ZESDE EN DE ZEVENDE HERSENZENUW.

In hoofdstuk VIII werd uiteengezet, hoe door de primaire octavuskernen beslag wordt gelegd op den dorso-lateralen wand van het proximale einde der medulla oblongata. Tusschen hen door gaat het witte vezelveld, de area ovalis van het corpus restiforme en voert in hoofdzaak proprio-receptieve impulsen van verschillende herkomst naar den vermis cerebelli. Uit de triangulaire kern daarentegen ontspringen de vezelmassa's, die als fibrae tegmento-cerebellares door het corpus juxta-restiforme (M o n a k o w's I. A. K.) heengaan, labyrinth-impulsen geleiden en verbinding zoeken met de cerebellaire kernen.

Het stelsel der ontvangkernen van den N. octavus behoort dus geheel tot het gebied der medulla oblongata. Al ligt ook bij den mensch de ventrale octavus-kern tusschen bruggearm-vezels ingesloten (zie deel II, fig. 266 p. 293), het verandert niets aan het schema, als de bruggearmen een groote ontwikkeling verkrijgen. De octavus-kernen blijven kernen der medulla oblongata.

In hoofdstuk VII is vermeld, dat ook het kernstelsel van den N. trigeminus beslag legt op een groot deel van den zijwand der medulla oblongata. Wel treedt de sensibele trigeminus in het laterale gebied der Varols-brug naar binnen. De eigen sensibele trigeminus-kern — onze nucleus sensibilis a — behoort streng genomen tot het overgangsgebied der medulla oblongata in den pons Varoli. Maar de tractus spinalis N. trigemini ligt in zijn geheel langs den dorso-lateralen wand van medulla oblongata en cervicalis. Slechts de mesencephale kern en wortel behooren onbetwist tot het gebied van Varolsbrug en mesencephalon. Echter is hier de meening verdedigd, dat die kern en wortel, tot het autonome en niet tot het afferente kerngebied van den N. trigeminus gerekend moeten worden.

WINKLEK III.

Sluiten