Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oorloofd wordt door andere irriteerende velden, welke in andere richting aangrijpen.

Dit is de grondgedachte en tevens de eerste regel der neurobiotaxis. Kappers is nu bizonder getroffen geworden, eenerzijds door de constantie in de plaatsing der ontvangkernen en anderzijds door de groote verschillen in plaatsing, welke juist bij facialis- en abducens-kern onderling en ten opzichte der ontvangkernen wordt waargenomen.

Zoolang nog slechts een eenvoudige reflexweg gebruikt wordt — zoo gaat de redeneering dan voort — vindt dus de uitvoerkern een plaats zoo nabij de ontvangkern als de wordingsverhoudingen van het centrale zenuwstelsel het toelaten.

Een dergehjk eenvoudig reflex-schema is nog behouden gebleven bij sommige visschen, bijv. bij Gadus morrhua. Daar vindt men den nucleus N. abducentis, een kern vergelijkbaar aan de motorische medio-ventrale spinale groep in het ruggemerg, ventraal in het tegmentum en zijn wortelvezels verlaten hem in ventrale richting. De kern van den N. facialis, vergelijkbaar aan de intermedio-laterale kerngroep, ligt nog dorso-lateraal van de abducens-kern in het tegmentum en zendt de wortelvezels direct in laterale richting uit.

Wanneer nu echter de een of andere gebeurtenis in de phylogenie oorzaak wordt, dat nieuwe prikkels van andere velden uit even machtig en even aanhoudend inwerken op een bestaande uitvoerkern, als dit oorspronkelijk het geval was, dan begint een ander neurobiotactisch spel voor deze kern. Eerst richten zich de dendriten harer cellen naar het nieuwe veld, de cellen volgen hen en de kern verplaatst zich in die richting, zoover als bij dezen wedstrijd van prikkels mogelijk is. Later, in de ontogenie van het hooger ontwikkelde wezen, zal die verhouding gefixeerd worden aangetroffen.

Bij hoogere gewervelde dieren blijft om deze reden de plaatsing van de beide kernen van den N. abducens en N. facialis niet zooals bij Gadus morrhua.

Allereerst ontwikkelen zich de labyrinth-impulsen en met hen de fasciculus longitudinalis posterior, dien wij een zeer groote rol bij de secundaire voortleiding dezer impulsen hebben zien spelen. De abducens-kern wordt dus in dorsale en mediale richting getrokken, totdat zij een plaats tegen het veld van dezen lengtebundel heeft verkregen.

Daarentegen onderging de nucleus N. facialis, die niet onder den invloed der labyrinth-impulsen komt, in de phylogenie een grooten invloed van de zich vormende tecto-spinale en cortico-spinale banen (pyramide). Nieuwe irriteerende velden werkten daarop in. Zij werkten in ventrale richting en deden de kern ventraal verhuizen. Bij de meeste zoogdieren bijv. ligt dus de abducens-kern dorsaal tegen den fasciculus longitudinalis posterior aan en de facialis-kern ventraal. Geheel in tegenstelling dus met de plaatsing der kernen bij Gadus morrhua.

Uit de facialis-kern der zoogdieren ontspringen de wortelvezels echter niet meer direct in laterale richting. Zij ontspringen daaruit in medio-dorsale

Sluiten