Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van den hersensteel loopen, maar zich in het stratum lemnisci voortzetten. De eene, de pes superficialis lemnisci, ontspringt uit het operculum frontale, ligt aanvankelijk lateraal in den steel, slaat zich om de ventrale oppervlakte heen en gaat over in de mediale afdeeling van het stratum lemnisci. De andere, de pes profundus lemnisci, neemt in de temporale opercula zijn oorsprong, verlaat de vezelmassa van den hersensteel dorsaal en gaat over in het laterale stuk van het stratum lemnisci. In de hiernevenstaande afbeelding van Déj érine ziet men die beide steelen ontaard.

Deze beide steelen lossen zich gedeelte lijk in het stratum lemnisci op en vormen er de z.g. nevelvlekken. Bij oude haarden, genoegzaam groot om insula en opercula frontalia, parietalia en temporalia te verwoesten, verdwijnen in het stratum lemnisci, al de z.g. nevelvlekken.

Ten einde dit toe te lichten is in fig. 345 een teekening ontworpen van het stratum lemnisci centrale. In A is het aan de normale zijde getroffen, in B aan de zijde van een haard en de sneden zijn ontleend aan de hersenen, die in deel II, fig. 333 zijn afgebeeld. De afbeeldingen zijn geteekend naar praeparaten, die met karmijn en Delafield's haematoxyline dubbel zijn gekleurd.

In fig. 345 A kan men dan vaststellen, dat zicli een aantal veldjes in het stratum lemnisci zeer intensief rood-blauw kleuren, omdat zij zeer fijne, nauwelijks merghoudende vezels bevatten, welke in het W e i g e r t-praeparaat (zie Deel II, fig. 300) nauwelijks tingeeren. Dan doen zij zich als zeer lichte veldjes voor. Te dezer hoogte vindt men in den lemniscus medialis, dicht bij de raphe (in de richting van R) die veldjes niet meer. De nevelvlekken of areae nebulosae lemnisci vindt men vooral langs den ventralen rand van het centrale lemniscus veld, klein van omvang, maar zeer talrijk. Meer lateraal nemen zij in aantal af, en in omvang toe, maar vallen reeds buiten de teekening. Zij worden aan den centralen lemniscus uit de twee steelen toegevoerd, zoodanig, dat de veldjes uit den pes superficialis eerst meer mediaal zijn gelegen en lateraalwaarts schuiven, terwijl die uit den pes profundus van lateraal uit, meer mediaalwaarts gaan.

Die veldjes zijn geheel verdwenen, als gevolg van een zeer grooten haard, die behoudens de geheele capsula interna ook de frontale opercula vernield heeft. In fig. 345 B vindt men die veldjes niet. Ook daar ligt de raphe in de richting R, en ligt tusschen b en a het veld, dat beantwoordt aan het tusschen gelijke letters opgesloten veld in fig. 345 A.

Reeds de groote fijnheid dezer vezels wekt het vermoeden, dat zij hier dicht bij hun eindpunt zijn getroffen. In dit opzicht is fig. 345 nog van ander belang. Niet alleen wordt het stratum centrale lemnisci kleiner door het wegvallen der genoemde veldjes, dat blijkt voldoende uit de vergelijking van B met A. Maar de laag wordt ook kleiner, omdat de nucleus reticularis lemnisci, door wier uitloopers het lemniscus gebied in blokken wordt verdeeld, kleiner is geworden.

Bij den eersten aanblik heeft het den schijn, alsof er aan de zieke zijde veel meer cellen in de uitloopers liggen dan aan de gezonde zijde. Dit is het

Sluiten