Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wordt men getroffen door een aantal normale vezels (bijv. fig. 347), die in allerlei richtingen het atrophische veld doorkruisen. Zij gaan ten deele dwars er doorheen, ten deele maken zij lisvormige buigingen, waardoor zij ook in de lengteas der pyramide loopen. Zij verzamelen zich in vezels, die onder den naam van fibrae arcuatae externae bekend zijn, op de ventrale vlakte der pyramide en gaan

1°. lateraalwaarts over de olijfkern heen, direct op het corpus restiforme af;

2°. mediaalwaarts streven zij naar de raphe, gaan daarin in ventrodorsale richting, als fibrae rectae omhoog. Zij kruisen daar onder zeer schuine hoeken en gaan aan de dorsale zijde van de oliva inferior in haar mantel en met die vezels weder naar het gekruiste corpus restiforme.

Men kan in de fig. 347 ook zien, dat die vezels in de eerste plaats hun oorsprong nemen in den nucleus arcuatus. Maar ten deele ook ontspringen zij uit de ventrale vlakte van den nucleus olivaris.

J elgersma heeft er in 1886 al op gewezen, dat de nucleus arcuatus te beschouwen is, als een vooruitgeschoven ventrale ponskern, die corticofugaal door de pyramide werd geïnnerveerd en door fibrae arcuatae externae met beide corpora restiformia in verbinding staat. Tot die voorstelling is men gerechtigd, omdat zich de nucleus arcuatus * tegenover atrophie en degeneratie op dezelfde wijze gedraagt als de kernen der ventrale ponsformatie.

De nucleus arcuatus evenwel is een kern, die in omvang en plaatsing zeer wisselt en de toevoerende zoowel als de uitvoerende wegen (fibrae arcuatae externae) zijn zeer verschillend in grootte. Het komt voor dat de fibrae arcuatae externae met de pyramide mede degenereeren, maar dit is niet constant het geval en de opmerking van Rothmann, dat de degeneratie dezer vezels begrijpelijk is, wanneer de rest der pyramiden-vezels door de degeneratie zwelt, is gerechtvaardigd. Zij loopen zoozeer gewrongen tusschen de Py-vezels door, dat men zich moeilijk kan voorstellen hoe zij, in zulk een geval, zonder letsel kunnen blijven. Derhalve sta ik met Flechsig op het standpunt, dat deze vezels geen directe verbindingsvezels tusschen pyramide en cerebellum vormen, maar dat nucleus arcuatus en oliva inferior daartusschen zijn geschakeld.

Met de in omvang wisselende nucleus arcuatus wisselt dus dit stelsel. Ontbreken doet het nooit. B u r d a c li wees er al op dat de olijf als in een huls tusschen bundels dezer vezels was ingevat en gaf die bundels den naam van funiculi siliquae. Soms echter worden zij omvangrijk. Dan nemen zij altijd plaats in de ventro-laterale afdeel ing van het pyramide veld, en slaan van daaruit hun laterale of mediale richting in.

Die hulsstrengen van Burdach worden dan, met het bloote oog, zichtbare bundels en vormen abnormale, de pyramide bedekkende, bundels die o. a. door Elliot Smith onder den naam ,,circum-olivary bundies" beschreven zijn.

Bijna altijd vindt men zulk een abnormaliteit aan de linker zijde van

Sluiten