Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tusschen de vezels van den tractus spino-cerebellaris ventralis en den tractus rubro-spinalis. Op die wijze bevat de kern een vrij groot aantal daar doorheen loopende vezels.

Daarentegen gaan de vezels van het corpus trapezoides, die tusschen spinale trigeminus-streng en facialis-kern vrij groote bochten in dorsale richting maken, niet door de kern heen, maar buigen weer terug in de transversale vezelmassa van het corpus trapezoides, die de facialis-kern ventraal bedekt.

Zeer onscherp is de dorso-mediale grens van de kern. Dorsaal zendt de kern grijze reticula, die bij het konijn zeer celarm zijn, tusschen de eigen wortelvezels, die in dorso-mediale richting loopen. Daardoor ontstaat een niet scherp omschreven veld, dat dorsaal wordt afgesloten door den tractus vestibulo-spinalis, die met een ventralen uitlooper mediaal van de facialis-kern tusschen haar en den Jemniscus indringt.

De facialis-kern bij het konijn heeft min of meer de gedaante van een cylinder, welke er caudaal van de oliva superior gevonden wordt. In reeksen van frontale dwarse sneden vertoont zij, met uitzondering der meest caudale en orale einden, overal hetzelfde in fig. 356 geteekende beeld.

Leerzaam is ook het beeld, dat de kern op horizontale sneden te zien geeft en dat in fig. 357 is afgebeeld. Daar ziet men, dat de kern den vorm aanneemt van een drietal naast elkander gelegen celbanden, welke door twee overlangs gerichte vezelstrooken van elkander worden gescheiden. Deze strooken beantwoorden in deze door het ventrale gedeelte der kern gaande snede, aan de overlangs getroffen vezels van den tractus spino-cerebellaris (lateraal) en aan die van den tractus spino-thalamicus (mediaal).

Zij scheiden hier de kernstrooken, die aan den tak voor de oor-spieren (de meest mediale), aan den bovensten wang-lip-tak (de meest laterale) en aan den ondersten wang-lip-tak (de middelste) het aanzijn geven.

Kent men eenmaal den bouw van de facialis-kern bij het konijn, dan is het niet moeilijk denzelfden bouw der kern bij den mensch weer te vinden.

De afbeelding in fig. 358 geeft een dwarse snede door deze kern uit een praeparaat met dubbelkleuring volgens W e i g e r t en karmijn. Het verschil dat er tusschen de afbeelding fig. 358 en die in fig. 356 bestaat, springt in het oog. Bij den mensch zijn de meest mediale kerngroepen, die door van Gehuchten als oorsprongskernen voor oorspieren worden aangezien, celarm, wat in verband met de geringe functioneele beteekenis der oorspieren bij den mensch, te verwachten was. (Zie fig. 356 en fig. 358 I en II.)

Daarentegen is de celarme band, die de meest dorsale afdeeling der kern uitmaakt, bij den mensch tot een zeer machtige ronde kern geworden (III der figuren). Dit kan men in verband brengen met de belangrijke functie, die de oogtak van den N. facialis bij den mensch te verrichten heeft.

De beide overige afdeelingen (IV en V) zijn bij den mensch stellig sterk ontwikkeld, maar zij zijn dit ook bij het konijn.

Fig. 358 leert ons verder, dat de onderdeelen der kern veel meer opeen gedrongen zijn dan bij het konijn.

Sluiten