Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de middellijn. In fig. 359 is een dergelijke snede volgens een karmijn-praeparaat van den hersenstam van het konijn afgebeeld.

In de substantia grisea centralis, caudaal van de commissura posterior cerebri (fig. 359 c. p.), begint het proximale deel van de kernzuil vrij plotseling. Wel is waar, vindt men, voordat de eigenlijke kernzuil wordt aangetroffen, in de substantia grisea centralis, vooral latero-ventraal, ophoopingen van kleinere cellen (x. in fig. 359 en fig. 365), maar de kernzuil zelf is herkenbaar door het bezit van groote, met karmijn zich intensief kleurende, cellen die onderling in vorm en grootte vrij veel verschillen (fig. 359 n. III) en in een eveneens door karmijn sterk gekleurde tusschenstof zijn gebed.

De kernzuil wordt aan haar ventrale zijde begrensd door de overlangs getroffen vezels van den fasciculus longitudinalis posterior (fig. 359 f. 1. p.). Aan het proximale einde is de ventro-dorsale diameter der kern eerst gering, maar snel neemt deze diameter toe om dan ongeveer even groot te blijven, totdat vrij plotseling, aan het caudale einde, de kernzuil eindigt. Aldus overziet men de sagittale doorsnede der kern, die door een celarme zone in twee deelen wordt verdeeld. Het proximale, veel grootere stuk is de kern van den N. oculomotorius (fig. 359 n. III). Overal treden de wortelvezels in ventrale richting uit de kern. Zij gaan over in de wortelbundels (fig. 359 r. III), welke het veld in proximo-ventrale richting doorkruisen en de grootcellige afdeeling van den nucleus ruber (fig. 359 n. r. p. m. c.) tusschen zich insluiten.

Het caudale stuk der zuil is de kern van den N. trochlearis (fig. 359 n. IV). Deze kern heeft hier de doorsnede van een cirkel. Wortelvezels zendt zij niet in ventrale richting uit. Aan de distale pool worden eenige van de door haar uitgezonden wortelvezels getroffen (fig. 359 r. IV). De in de trochlearis-kern gevonden cellen zijn grooter en meer gelijkmatig van vorm. dan die welke in de oculomotorius-kern gevonden worden.

In de oculomotorius-kern kan men onderafdeelingen herkennen, die door bundels van er doorheen loopende wortelvezels en daarvan afhankelijke celarme tusschenschotten, min of meer duidelijk van elkander af te grenzen zijn. Het meest caudaal reikt de dorsale kernafdeeling (fig. 359 n. III d.). De caudale afdeeling der hoofdkern wordt zelfs bijna geheel door de dorsale kern gevormd. Al spoedig echter schuift zich tusschen de dorsale kern en de vezels van den fasciculus longitudinalis posterior ook een ventrale kernafdeeling (fig. 359 n. III ve.). Men kan ook daarin weêr een voorste ventrale kern, die de proximale punt der kernzuil vormt (fig. 359 q.) en een achterste ventrale kern (fig. 359 p. p.), onderscheiden.

Is men eenmaal over de onderverdeeling dier kern ingelicht, maar dat is alleen langs experimenteelen weg mogelijk, dan kan men de architectuur der oculomotorius-kern ook wel in de sagittale doorsnede herkennen. Aanvullend daartoe is de studie van horizontale doorsneden noodig, omdat daar andere bijzonderheden scherper voor den dag komen. Om dit te doen zien zijn in fig. 360 twee horizontale sneden door de kernzuil afgebeeld. De eene,

WINKLER III. 4

Sluiten